Article 199
in forceOBLIGATIONS OF TAXABLE PERSONS AND CERTAIN NON-TAXABLE PERSONS
1. Member States may provide that the person liable for payment of VAT is the taxable person to whom any of the following supplies are made:
(a) the supply of construction work, including repair, cleaning, maintenance, alteration and demolition services in relation to immovable property, as well as the handing over of construction works regarded as a supply of goods pursuant to Article 14(3);
(b) the supply of staff engaged in activities covered by point (a);
(c) the supply of immovable property, as referred to in Article 135(1)(j) and (k), where the supplier has opted for taxation of the supply pursuant to Article 137;
(d) the supply of used material, used material which cannot be re-used in the same state, scrap, industrial and non industrial waste, recyclable waste, part processed waste and certain goods and services, as listed in Annex VI;
(e) the supply of goods provided as security by one taxable person to another in execution of that security;
(f) the supply of goods following the cession of a reservation of ownership to an assignee and the exercising of this right by the assignee;
(g) the supply of immovable property sold by a judgment debtor in a compulsory sale procedure.
2. When applying the option provided for in paragraph 1, Member States may specify the supplies of goods and services covered, and the categories of suppliers or recipients to whom these measures may apply.
3. For the purposes of paragraph 1, Member States may take the following measures:
(a) provide that a taxable person who also carries out activities or transactions that are not considered to be taxable supplies of goods or services in accordance with Article 2 shall be regarded as a taxable person in respect of supplies received as referred to in paragraph 1 of this Article;
(b) provide that a non-taxable body governed by public law, shall be regarded as a taxable person in respect of supplies received as referred to in points (e), (f) and (g) of paragraph 1.
4. Member States shall inform the VAT Committee of national legislative measures adopted pursuant to paragraph 1 in so far as these are not measures authorised by the Council prior to 13 August 2006 in accordance with Article 27(1) to (4) of Directive 77/388/EEC, and which are continued under paragraph 1 of this Article.
1. De lidstaten kunnen bepalen dat de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is voor wie de volgende goederenleveringen of diensten worden verricht:
a) bouwwerkzaamheden, met inbegrip van herstel-, schoonmaak-, onderhouds-, aanpassings- en sloopwerkzaamheden ter zake van onroerend goed, alsmede de oplevering van een werk in onroerende staat die krachtens artikel 14, lid 3, als een levering van goederen wordt beschouwd;
b) de uitlening van personeel dat de onder punt a) genoemde werkzaamheden verricht;
c) de levering van onroerend goed als bedoeld in artikel 135, lid 1, punten j) en k), wanneer de leverancier overeenkomstig artikel 137 heeft gekozen voor belastingheffing ter zake van die levering;
d) de levering van oude materialen, oude materialen ongeschikt voor hergebruik in dezelfde staat, industrieel en niet-industrieel afval, afval voor hergebruik, gedeeltelijk verwerkt afval, schroot, en bepaalde goederen en diensten, overeenkomstig de lijst in bijlage VI;
e) de levering van in zekerheid gegeven goederen door een belastingplichtige aan een andere persoon tot executie van die zekerheid;
f) de levering van goederen na overdracht van eigendomsvoorbehoud aan een rechtverkrijgende die zijn recht uitoefent;
g) de levering van onroerend goed dat in een openbare verkoop op grond van een executoriale titel door de executieschuldenaar aan een andere persoon wordt verkocht.
2. Wanneer zij gebruik maken van de mogelijkheid die lid 1 biedt, kunnen de lidstaten de goederenleveringen en diensten die eronder vallen, omschrijven, alsook de categorieën van leveranciers en dienstverrichters of afnemers waarop deze maatregelen van toepassing kunnen zijn.
3. Voor de toepassing van lid 1 kunnen de lidstaten de volgende maatregelen nemen:
a) bepalen dat een belastingplichtige die ook activiteiten of handelingen verricht die niet als belastbare leveringen van goederen of diensten overeenkomstig artikel 2 worden beschouwd, voor alle in lid 1 bedoelde voor hem verrichte diensten als belastingplichtige wordt aangemerkt;
b) bepalen dat een niet-belastingplichtige publiekrechtelijke instelling met betrekking tot de overeenkomstig lid 1, punten e), f) en g) afgenomen goederenleveringen of diensten als belastingplichtige wordt aangemerkt.
4. De lidstaten stellen het BTW-Comité in kennis van de nationale maatregelen die zij uit hoofde van lid 1 hebben genomen indien het geen maatregelen betreft die voor 13 augustus 2006 door de Raad overeenkomstig artikel 27, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 77/388/EEG zijn toegestaan en uit hoofde van die bepaling worden verlengd.