Dutch Legislation

Article 67d

in force

Bestuurlijke boeten · Overtredingen

General State Taxes Act (AWR) · Chapter VIIIA · Section 1 · In force since 2009-07-02

Source
1.

If it is due to the intent of the taxpayer that, with regard to a tax which is levied by way of an assessment, the tax return has not been filed, or has been filed incorrectly or incompletely, this constitutes an administrative offence in respect of which the inspector may, simultaneously with the determination of the assessment, impose an administrative fine of at most 100 percent of the basis for the fine as described in the second paragraph.

2.

The basis for the penalty is formed by:

a.

the amount of the assessment, or

b.

if losses are or have been taken into account, the amount on which the assessment would have been calculated without taking those losses into account; all this insofar as that amount would not have been levied as a result of the intent of the taxpayer.

3.

If losses are or have been taken into account and, as a result, no tax assessment can be established, the inspector may nevertheless impose the administrative fine referred to in the first paragraph. The authority to impose the administrative fine shall lapse upon the expiry of the time limit applicable to the establishment of the tax assessment that could have been established had no losses been taken into account.

4.

For the application of the second and third paragraphs, personal tax deductions (persoonsgebonden aftrek) as referred to in Article 6.1, first paragraph, point (b), of the Income Tax Act 2001 shall be treated as equivalent to losses.

5.

Insofar as the assessment relates in whole or in part to taxable income as referred to in Article 5.1 of the Income Tax Act 2001, the penalty shall, to that extent and by way of derogation from the first paragraph, amount to no more than 300 percent of the tax due thereon as established in the assessment.

1.

Indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2.

De grondslag voor de boete wordt gevormd door:

a.

het bedrag van de aanslag, dan wel

b.

indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de aanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen; een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet van de belastingplichtige niet zou zijn geheven.

3.

Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg daarvan geen aanslag kan worden vastgesteld, kan de inspecteur de boete, bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van de termijn die geldt voor het vaststellen van de aanslag, die zou kunnen zijn vastgesteld indien geen verliezen in aanmerking zouden zijn genomen.

4.

Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt met verliezen gelijkgesteld de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

5.

Voor zover de aanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, bedraagt de boete, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300 percent van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de aanslag is vastgesteld.