Dutch Legislation

Article 40

in force

Procedure bij uitvoering door Dienst Toeslagen

Income-Dependent Schemes Act (Awir) · Chapter 2 · In force since 2026-01-01

Source
1.

Any person who, pursuant to Article 38, paragraph 1, 2 or 4, is required to provide data or information and has failed to do so, or has failed to do so within the prescribed period, commits a default in respect of which the Benefits Agency (Dienst Toeslagen) may impose an administrative fine of no more than € 6,709.

2.

An administrative fine may only be imposed by the Benefits Agency (Dienst Toeslagen) if the Benefits Agency has made a reasonably required effort to provide the person who has failed to comply with an obligation as referred to in Article 38, first, second or fourth paragraph, with the opportunity to still provide the requested data and information within a reasonable period, and the data or information has not been provided within the period set for that purpose.

3.

By way of derogation from Article 5:45 of the General Administrative Law Act, the power to impose the administrative fine referred to in the first paragraph shall lapse five years after the violation has been committed.

1.

Degene die op grond van artikel 38, eerste, tweede of vierde lid gehouden is tot het verstrekken van gegevens of inlichtingen en deze niet, dan wel niet binnen de daartoe gestelde termijn, heeft verstrekt, begaat een verzuim ter zake waarvan de Dienst Toeslagen hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6.709 kan opleggen.

2.

De bestuurlijke boete kan door de Dienst Toeslagen slechts worden opgelegd indien de Dienst Toeslagen een redelijkerwijs te vergen inspanning heeft verricht om degene die niet heeft voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 38, eerste, tweede of vierde lid, in de gelegenheid te stellen alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen binnen een redelijke termijn te verstrekken en de gegevens of inlichtingen niet zijn verstrekt binnen de daartoe gestelde termijn.

3.

In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, vijf jaren nadat de overtreding is begaan.