Dutch Legislation

Article 38

in force

Procedure bij uitvoering door Dienst Toeslagen

Income-Dependent Schemes Act (Awir) · Chapter 2 · In force since 2024-01-01

Source
1.

Public bodies, with the exception of the public bodies of Bonaire, Sint Eustatius and Saba, and legal entities that have acquired legal personality by or pursuant to a special act, the institutions and services falling under them, bodies that primarily implement the policy of the State, persons subject to administrative obligations as referred to in Article 52 of the General State Taxes Act (Algemene wet inzake rijksbelastingen), and lessors of a dwelling as referred to in Article 1, part k, of the Housing Allowance Act (Wet op de huurtoeslag), shall, upon request, provide the Benefits Agency (Dienst Toeslagen) free of charge with all data and information that may be relevant for the implementation of this Act, the provisions based thereon, or an income-dependent regulation.

2.

Without prejudice to the obligations referred to in the first paragraph, the bodies, institutions, services, legal entities or persons to be designated by Order in Council are required to provide, on their own initiative, to the Benefits Agency (Dienst Toeslagen) the data and information to be designated by Order in Council, the knowledge of which may be relevant for the assessment of the entitlement to or the determination of the amount of a benefit or an advance payment of a third party, the revision of a benefit of a third party as referred to in Articles 21 and 21a, or the revision of an advance payment of a third party as referred to in Article 16, fifth paragraph, in accordance with rules to be established by Order in Council.

3.

The data and information shall be provided within a time limit to be set by the Benefits Agency (Dienst Toeslagen).

4.

Childcare centres and childcare agencies as referred to in Article 1.1, first paragraph, of the Childcare Act shall, of their own motion, provide the Benefits Agency (Dienst Toeslagen) with the following data per enrolled child, as recorded in the administration pursuant to or by virtue of Article 1.53 or Article 1.56, sixth paragraph, of that Act, for the purpose of assessing the entitlement to or determining the amount of the allowance:

a.

initial(s), surname, citizen service number and date of birth of the child, the parent and the partner;

b.

the type of childcare services being obtained;

c.

the number of hours taken;

d.

the average hourly rate of the hours consumed;

e.

the commencement date and the end date of the written agreement, as referred to in Article 1.52, paragraph 1, of that Act; and

f.

the unique registration number, as referred to in Article 1.47b, paragraph 3, or Article 1.48b, paragraph 3, of that Act.

5.

The data referred to in the fourth paragraph shall be provided no later than the fifteenth day of each month and shall in each case relate to all months preceding that month from the commencement of the calculation year or, if later, from the effective date of the written agreement referred to in Article 1.52, first paragraph, of the Childcare Act (Wet kinderopvang), with the proviso that in the month of January the data shall be provided no later than 27 January and shall relate to all months of the preceding calculation year in which such an agreement was in effect. No later than 1 March, the data relating to all months of the preceding calculation year shall be provided once more.

6.

If the requested data or information has not been provided in time, the Benefits Agency (Dienst Toeslagen) shall issue a formal notice, setting a further period for the requested data and information to be provided nonetheless.

7.

Further rules may be established by Order in Council regarding the inclusion of the citizen service number of the person to whom the data and information relate when providing such data and information.

8.

In cases where the citizen service number must be stated, the person to whom the data and information referred to in the first, second or fourth paragraph relate is obliged to provide their citizen service number to the public bodies referred to in the first paragraph, with the exception of the public bodies Bonaire, Sint Eustatius and Saba, and legal entities that have acquired legal personality by or pursuant to a special act, the institutions and services falling under them, bodies that mainly implement the policy of the State, persons liable for administration as referred to in Article 52 of the General State Taxes Act and lessors of a dwelling as referred to in Article 1, part k, of the Housing Allowance Act, to the bodies, institutions, services, legal entities or persons that have been designated by order in council pursuant to the second paragraph, or to child centres or childminder agencies as referred to in Article 1.1, first paragraph, of the Childcare Act, respectively.

9.

Financial undertakings that are permitted to carry on the business of a bank in the Netherlands pursuant to the Financial Supervision Act (Wet op het financieel toezicht) shall, when processing data relevant to the payment of an advance or a contribution by the Benefits Agency (Dienst Toeslagen) as referred to in Article 25, use the citizen service number (burgerservicenummer) in their own records.

10.

In the event that a body, institution, service, legal entity, person, childcare centre or host parent agency has complied with the obligation referred to in the first, second or fourth paragraph, but is of the opinion that the obligation was imposed unlawfully, a reimbursement of costs directly related to this compliance may be granted upon petition. The Benefits Agency (Dienst Toeslagen) shall grant a reasonable reimbursement of costs by administrative decision in the event of an unlawfully imposed obligation. For the application of statutory provisions regarding objection and appeal, the lawfulness of the imposed obligation of the first, second or fourth paragraph shall be deemed to form part of the dispute in objection and appeal against the administrative decision to grant a reimbursement of costs.

11.

The recommendation for an Order in Council to be established pursuant to the second paragraph shall not be made until four weeks after the draft has been submitted to both Houses of the States General. If, within those four weeks, the wish is expressed by or on behalf of one of the Houses, or by at least one-fifth of the constitutional number of members of one of the Houses, that the subject matter of the Order in Council be regulated by Act of Parliament, a bill to that effect shall be submitted as soon as possible and the Order in Council shall not be established.

1.

Openbare lichamen met uitzondering van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, lichamen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, administratieplichtigen als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en verhuurders van een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet op de huurtoeslag verstrekken kosteloos aan de Dienst Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van deze wet, de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling.

2.

Onverminderd de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen lichamen, instellingen, diensten, rechtspersonen of personen gehouden de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming of het voorschot van een derde, het herzien van een tegemoetkoming van een derde, bedoeld in de artikelen 21 en 21a, of het herzien van een voorschot van een derde, bedoeld in artikel 16, vijfde lid, van belang kunnen zijn eigener beweging te verstrekken aan de Dienst Toeslagen volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

3.

De gegevens en inlichtingen worden verstrekt binnen een door de Dienst Toeslagen te stellen termijn.

4.

Kindercentra en gastouderbureaus als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang verstrekken eigener beweging aan de Dienst Toeslagen per ingeschreven kind de volgende gegevens, zoals deze bij of krachtens artikel 1.53, onderscheidenlijk artikel 1.56, zesde lid, van die wet in de administratie worden opgenomen, ten behoeve van de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming:

a.

voorletter(s), achternaam, burgerservicenummer en geboortedatum van het kind, de ouder en de partner;

b.

het soort kinderopvang dat wordt afgenomen;

c.

het aantal afgenomen uren;

d.

het gemiddelde uurtarief van de afgenomen uren;

e.

de ingangsdatum en einddatum van de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 1.52, eerste lid, van die wet; en

f.

het unieke registratienummer, bedoeld in de artikelen 1.47b, derde lid, of artikel 1.48b, derde lid, van die wet.

5.

De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden uiterlijk op de vijftiende dag van elke maand verstrekt en hebben telkens betrekking op alle aan die maand voorafgaande maanden vanaf de aanvang van het berekeningsjaar dan wel, indien dat later is, vanaf de ingangsdatum van de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 1.52, eerste lid, van de Wet kinderopvang, met dien verstande dat in de maand januari de gegevens uiterlijk op 27 januari worden verstrekt en betrekking hebben op alle maanden van het voorafgaande berekeningsjaar waarin sprake was van een dergelijke overeenkomst. Uiterlijk op 1 maart worden de gegevens met betrekking tot alle maanden van het voorafgaande berekeningsjaar nogmaals verstrekt.

6.

Indien de gevraagde gegevens of inlichtingen niet op tijd zijn verstrekt, maant de Dienst Toeslagen aan onder het stellen van een nadere termijn om alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de vermelding van het burgerservicenummer van degene op wie de gegevens en inlichtingen betrekking hebben bij het verstrekken van de gegevens en inlichtingen.

8.

In de gevallen waarin het burgerservicenummer dient te worden vermeld, is degene op wie de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste, tweede of vierde lid, betrekking hebben gehouden zijn burgerservicenummer te verstrekken aan de in het eerste lid bedoelde openbare lichamen met uitzondering van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, lichamen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, administratieplichtigen als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en verhuurders van een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet op de huurtoeslag, aan de lichamen, instellingen, diensten, rechtspersonen of personen die ingevolge het tweede lid bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, onderscheidenlijk aan kindercentra of gastouderbureaus als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang.

9.

Financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mogen uitoefenen maken bij het verwerken van de gegevens die van belang zijn voor de uitbetaling van een voorschot of een tegemoetkoming door de Dienst Toeslagen, bedoeld in artikel 25, in hun eigen administratie gebruik van het burgerservicenummer.

10.

Ingeval een lichaam, instelling, dienst, rechtspersoon, persoon, kindercentrum of gastouderbureau de verplichting, bedoeld in het eerste, tweede of vierde lid, is nagekomen maar van oordeel is dat de verplichting onrechtmatig is opgelegd, kan op verzoek een vergoeding van kosten die rechtstreeks verband houden met deze nakoming worden toegekend. De Dienst Toeslagen kent bij beschikking een redelijke kostenvergoeding toe in geval van een onrechtmatig opgelegde verplichting. Voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wordt de rechtmatigheid van de opgelegde verplichting van het eerste, tweede of vierde lid geacht deel uit te maken van het geschil in bezwaar en beroep tegen de beschikking tot toekenning van een kostenvergoeding.

11.

De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Als binnen die vier weken door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld, wordt in dat geval een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel niet vastgesteld.