Dutch Legislation

Article 8:2

in force

Supervision · § The order to cease work

Working Hours Act (Arbeidstijdenwet) · Chapter 8 · § 8.2 · In force since 2021-01-01

Source
1.

A supervisor may order that, if Article 3:2, paragraph 1, is in his opinion being violated to a serious extent or is in danger of being violated, a child shall cease or not commence the work.

2.

A supervisor may order that, if work is being performed or is imminently to be performed which in his opinion is to a serious extent in conflict with the rules regarding working and rest times or proper registration provided by this Act and the provisions based thereon, insofar as designated as offences within the meaning of Article 10:1 or classified as economic offences as referred to in Article 2, paragraph 1, of the Economic Offences Act, a child, the employee or a person as referred to in Article 2:7, shall cease or not commence that work until a time to be further determined. The time shall be set no later than that at which resumption of the work is legally permitted again or can be properly performed, respectively.

3.

Insofar as the order referred to in the first and second paragraphs is given in any manner other than in writing, it shall be confirmed in writing within 7 days after the order has been given.

4.

The person who has issued an order as referred to in the first and second paragraphs is authorised to take the necessary measures with regard to the execution thereof, including the imposition of an order subject to administrative enforcement (last onder bestuursdwang), to give the necessary instructions and to call upon the assistance of the public force (sterke arm).

5.

The person who has given the order may revoke this order at any time.

1.

Een toezichthouder kan bevelen, dat, indien artikel 3:2, eerste lid, naar zijn oordeel in ernstige mate wordt overtreden of dreigt te worden overtreden, een kind de arbeid staakt of niet aanvangt.

2.

Een toezichthouder kan bevelen dat, indien arbeid wordt verricht of dreigt te worden verricht die naar zijn oordeel in ernstige mate in strijd is met de bij deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven regels inzake arbeids- en rusttijden of deugdelijke registratie, voor zover aangeduid als overtredingen in de zin van artikel 10:1 of zijn aangemerkt als economische delicten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economisch delicten, een kind, de werknemer of een persoon als bedoeld in artikel 2:7, die arbeid staakt of niet aanvangt tot op een nader te bepalen tijdstip. Het tijdstip wordt niet later gesteld dan dat, waarop hervatting van de arbeid wettelijk weer geoorloofd is onderscheidenlijk deugdelijk kan worden uitgevoerd.

3.

Voor zover het in het eerste en tweede lid bedoelde bevel op enigerlei andere wijze dan schriftelijk wordt gegeven, wordt zij binnen 7 dagen, nadat het bevel is gegeven, schriftelijk bevestigd.

4.

Degene, die een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft gegeven, is bevoegd met betrekking tot de uitvoering ervan de nodige maatregelen te treffen, met inbegrip van de oplegging van een last onder bestuursdwang, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen.

5.

Degene die het bevel heeft gegeven, kan dit bevel te allen tijde intrekken.