Dutch Legislation

Article 30

in force

Exemptions, waivers and appeal

Working Conditions Act (Arbowet) · Chapter 6 · In force since 2025-01-01

Source
1.

Our Minister may, with respect to categories of companies, establishments, persons, or employment relationships, grant an exemption from the regulations as established by or pursuant to Articles 5, 12 to 18 inclusive, and 20.

2.

A designated supervisor may, with respect to an individual company or establishment, grant an exemption from the regulations referred to in the first paragraph, unless a requirement has been imposed with respect to such a regulation.

3.

By administrative regulation (algemene maatregel van bestuur), rules may be established regarding the granting of exemptions or waivers as referred to in the first and second paragraphs respectively.

4.

An exemption or a waiver may be granted subject to restrictions.

5.

Conditions may be attached to an exemption or a waiver.

6.

An exemption or a waiver, respectively, may be withdrawn when:

a.

one or more of the reasons for which it was granted has or have ceased to exist;

b.

one or more of the requirements attached thereto are not complied with;

c.

such facts or circumstances occur after the granting that, had these been known at the time of the granting, the exemption or waiver would not have been granted or would not have been granted in that form.

1.

Onze Minister kan met betrekking tot categorieën van bedrijven, inrichtingen, personen, of arbeidsverhoudingen vrijstelling verlenen van de voorschriften zoals die bij of krachtens de artikelen 5, 12 tot en met 18 en 20 zijn vastgesteld.

2.

Een daartoe aangewezen toezichthouder kan met betrekking tot een individueel bedrijf of inrichting ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde voorschriften, tenzij met betrekking tot een dergelijk voorschrift een eis is gesteld.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld inzake het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid.

4.

Een vrijstelling of een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

5.

Aan een vrijstelling of een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

6.

Een vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing kan worden ingetrokken wanneer:

a.

een of meer der redenen waarom zij is verleend is of zijn vervallen;

b.

een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of worden nageleefd;

c.

zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden voordoen dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vrijstelling of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend.