Dutch Legislation

Article 35

in force

Voluntary insurance

General Old Age Pensions Act (AOW) · Chapter IV · In force since 2015-01-01

Source
1.

The former insured person who has reached the commencement age may, for as long as they have not yet reached the pensionable age, voluntarily insure themselves for a period of a maximum of ten years, effective from the day following the day on which the compulsory insurance ended. The first sentence only applies if the former insured person has been compulsorily insured for at least one year immediately preceding the period of voluntary insurance.

2.

If the period of voluntary insurance has been interrupted by a period of compulsory insurance of less than one year, the former insured person may again voluntarily insure themselves for the remaining period of the ten years.

3.

The period of a maximum of ten years, referred to in the first paragraph, does not apply to:

a.

the former insured person who is in an employment relationship with a Dutch legal entity under public law or who receives wages from such a legal entity on other grounds;

b.

the former insured person who has been posted to perform activities for development cooperation organisations to be designated by Our Minister in accordance with Our Minister of Foreign Affairs;

c.

the former insured person who is employed by an international organisation to be designated by Our Minister, Our Minister of Health, Welfare and Sport and Our Minister of the Interior and Kingdom Relations;

d.

the former insured person who performs activities that are funded by the State and which are also performed on behalf of the State within the framework of a statutory task description or for the implementation of an international treaty or an agreement equivalent thereto or a decision of an international law organization; or

e.

the former insured person, who has reached the age of 50 on the day on which the compulsory insurance has ended, does not reside in the Netherlands and is entitled to a:

1°.

benefit pursuant to the Work and Income according to Labour Capacity Act (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen);

2°.

benefit pursuant to the Invalidity Insurance Act (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering);

3°.

benefit pursuant to the Self-Employed Persons Disablement Benefits Act (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen);

4°.

benefit or entitlement to work support pursuant to the Disablement Assistance Act for Handicapped Young Persons (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten);

5°.

benefit pursuant to the Military Personnel Occupational Disability Provisions Act (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen);

6°.

disability pension pursuant to the Railway Pension Fund Privatisation Act (Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds);

7°.

disability pension pursuant to the General Military Pensions Act (Algemene militaire pensioenwet), as it read prior to 1 January 1998; or

8°.

survivor's benefit pursuant to the General Surviving Relatives Act (Algemene nabestaandenwet), provided that such benefit or pension is at least equal to 35% of the gross minimum wage;

f.

the former insured person, as referred to in Article 40.

4.

The period of a maximum of ten years, referred to in the first paragraph, does not apply to the spouse of the former insured person mentioned in the third paragraph and the resident minor children with whom that former insured person or that spouse has a family law relationship. For the application of this paragraph, the former insured person mentioned in the third paragraph also includes the former insured person, referred to in point (e) of that paragraph, whose right to a benefit as referred to in that point has ended solely as a result of reaching the pensionable age.

5.

Further rules may be laid down by or pursuant to an Order in Council with respect to this Article.

1.

De gewezen verzekerde die de aanvangsleeftijd heeft bereikt kan zich, zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, vrijwillig verzekeren over een periode van maximaal tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste een jaar verplicht verzekerd is geweest.

2.

Indien de periode van vrijwillige verzekering is onderbroken door een periode van verplichte verzekering korter dan een jaar, kan de gewezen verzekerde zich opnieuw vrijwillig verzekeren voor de resterende periode van de tien jaar.

3.

De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:

a.

de gewezen verzekerde die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon dan wel uit anderen hoofde loon geniet van een zodanige rechtspersoon;

b.

de gewezen verzekerde die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking;

c.

de gewezen verzekerde die werkzaam is bij een door Onze Minister, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisatie;

d.

de gewezen verzekerde die werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of

e.

de gewezen verzekerde, die op de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, niet in Nederland woont en recht heeft op een:

1°.

uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

2°.

uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

3°.

uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

4°.

uitkering of op recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

5°.

uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;

6°.

pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds;

7°.

pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die luidde voor 1 januari 1998; of

8°.

nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, mits die uitkering of dat pensioen ten minste gelijk is aan 35% van het bruto-minimumloon;

f.

de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 40.

4.

De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de echtgenoot van de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde en de inwonende minderjarige kinderen met wie die gewezen verzekerde of die echtgenoot in familierechtelijke betrekking staat. Voor de toepassing van dit lid wordt onder de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde mede verstaan de gewezen verzekerde, bedoeld in onderdeel e van dat lid, wiens recht op een uitkering als bedoeld in dat onderdeel uitsluitend als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is geëindigd.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van dit artikel nadere regels worden gesteld.