Dit artikel geeft de stand van zaken weer per 7 augustus 2026. Uitvoeringsbesluit (EU) 2026/1912 van de Raad is op 4 augustus 2026 in het Publicatieblad bekendgemaakt, de IND heeft haar bericht op 5 augustus 2026 gepubliceerd en de operationele richtsnoeren van de Commissie waren ten tijde van schrijven nog niet vastgesteld. Het onderwerp beweegt snel: controleer de datum hierboven voordat u op iets hieronder vertrouwt.
Als u vóór 5 augustus 2026 al tijdelijke bescherming in de Europese Unie genoot, verandert er niets voor u. Uw bescherming loopt automatisch door tot 4 maart 2028 en de nieuwe militaire voorwaarde is niet op u van toepassing.
Als u op of na 5 augustus 2026 voor het eerst in Nederland een aanvraag indient en u bent in Oekraïne dienstplichtig, dan moet u nu aantonen dat u aan uw militaire verplichtingen hebt voldaan, of dat u daarvan bent vrijgesteld. De IND heeft nog een uitzondering bekendgemaakt: de beperking geldt niet voor personen die zich voegen bij gezinsleden die hier al tijdelijke bescherming genieten.
Wat volgt is wat Uitvoeringsbesluit (EU) 2026/1912 van de Raad feitelijk zegt, wat het in de praktijk bij de IND betekent en waar de realistische juridische aangrijpingspunten liggen. Het is geschreven voor praktijkjuristen en voor degenen die het aangaat. Het is geen individueel juridisch advies.

1. Wat er op 5 augustus 2026 is veranderd
Vierenhalf jaar lang functioneerde de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (Richtlijn 2001/55/EG van de Raad, “RTB”) ten aanzien van Oekraïne op één enkele, bewust grofmazige premisse: u bent Oekraïner, u ontvlucht de oorlog, u wordt beschermd. Geen individuele beoordeling, geen inhoudelijke toets, geen onderzoek naar de reden waarom u vertrok in plaats van bleef. Dat was precies de bedoeling van het instrument: artikel 2, onder a, RTB definieert tijdelijke bescherming als een procedure van “uitzonderlijke aard” die is ontworpen om onmiddellijk collectieve bescherming te bieden en de formaliteiten tot een minimum te beperken.
Op 4 augustus 2026 is die premisse voor een bepaalde groep mensen losgelaten. Uitvoeringsbesluit (EU) 2026/1912 van de Raad van 30 juli 2026 verlengt de tijdelijke bescherming tot 4 maart 2028 en maakt haar tegelijkertijd voor het eerst afhankelijk van de voorwaarde dat een aanvrager aantoont dat hij heeft voldaan aan de dienstplichtwetten van het land dat hij is ontvlucht.
De Unie heeft de toegang tot Europese bescherming in wezen afhankelijk gemaakt van de naleving van het mobilisatieregime van een derde staat. Wat men ook van het beleid vindt, en de beleidslogica is niet frivool, de juridische constructie die daarvoor is gebruikt, is broos, innerlijk tegenstrijdig en op ten minste drie punten vrijwel zeker onrechtmatig.
2. Wat het besluit feitelijk zegt
Het dispositief is kort. Het is de moeite waard het precies te lezen, want de meeste berichtgeving is onnauwkeurig geweest.
Artikel 1 verlengt de tijdelijke bescherming voor de categorieën ontheemden als bedoeld in artikel 2 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 met nog een jaar, tot 4 maart 2028.
Artikel 2, eerste alinea bepaalt dat, onverminderd het Unierecht en de grondrechten, tijdelijke bescherming “uitsluitend wordt verleend aan degenen die aan hun militaire verplichtingen in Oekraïne voldoen, na overlegging, in voorkomend geval, van het bewijs daarvan.”
Artikel 2, tweede alinea voorziet in een uitzondering voor reeds beschermden: het artikel is niet van toepassing op personen die vóór of op 30 juli 2026 tijdelijke bescherming genieten in een bepaalde lidstaat en die status daarna ononderbroken in die bepaalde lidstaat behouden.
Artikel 3 bepaalt dat het besluit in werking treedt op de dag na de bekendmaking, dat wil zeggen 5 augustus 2026, en van toepassing is vanaf 5 maart 2027, “met uitzondering van artikel 2, dat van toepassing is vanaf 31 juli 2026.”
De ingeroepen rechtsgrondslag is artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 3, onder a, RTB. Denemarken is niet gebonden; Ierland wel.
Drie kenmerken van de redactie verdienen onmiddellijke aandacht.
2.1 Het besluit spreekt zichzelf tegen over de ingangsdatum
Artikel 3 zegt dat artikel 2 van toepassing is vanaf 31 juli 2026. Overweging 17 zegt dat het vereiste “van toepassing moet zijn vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, die moet plaatsvinden op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad,” dat wil zeggen 5 augustus 2026. Overweging 17 formuleert de overgangsclausule ook aan de hand van “de datum van inwerkingtreding van dit besluit,” terwijl artikel 2 die vaststelt op 30 juli 2026.
Beide kunnen niet tegelijk juist zijn. De operatieve tekst heeft terugwerkende kracht: een regel die de toegang tot bescherming beperkt, bekendgemaakt op 4 augustus, die beoogt te gelden voor aanvragen ingediend vanaf 31 juli. De overweging wijst precies die uitkomst uitdrukkelijk van de hand.
Nederland heeft de tegenstrijdigheid in het voordeel van de aanvrager opgelost. De bekendmaking van de IND van 5 augustus 2026 stelt doorlopend dat de nieuwe voorwaarde geldt voor aanvragen vanaf 5 augustus 2026 en dat degenen die vóór 5 augustus 2026 reeds tijdelijke bescherming genoten, niet worden geraakt. Tsjechië hanteert dezelfde ingangsdatum. Rechtshulpverleners in andere lidstaten dienen dit te controleren: een aanvrager die zich tussen 31 juli en 4 augustus 2026 heeft geregistreerd, bevindt zich precies in het gat en is in Nederland beschermd.
2.2 De overgangsclausule is in Brussel beperkter dan in Den Haag
Artikel 2 beschermt degenen die tijdelijke bescherming genoten “in een bepaalde lidstaat” en deze ononderbroken hebben behouden “in die bepaalde lidstaat”. Naar de letter van de EU-tekst biedt in Polen verkregen bescherming geen immuniteit voor een latere aanvraag in Nederland: verhuizing leidt tot een nieuwe verlening en daarmee tot de voorwaarde inzake militaire verplichtingen.
De gepubliceerde bekendmaking van de IND is wezenlijk ruimer: deze verwijst naar personen die vóór 5 augustus 2026 reeds tijdelijke bescherming genoten in de Europese Unie. Volgens de eigen bewoordingen van de IND vervalt de militaire voorwaarde bij eerdere bescherming elders in de Unie.
Dat verschil is aanzienlijk, maar moet niet te ruim worden gelezen. Sinds 15 juni 2026 sluit IND-beleid IB 2026/20 zelfstandig aanvragers uit die tijdelijke bescherming in een andere lidstaat genieten of genoten, een beleid dat eigen serieuze vragen oproept op grond van artikel 8, lid 1, RTB en Krasiliva (C-753/23, EU:C:2025:133), en dat de overwegingen 5 en 6 van het nieuwe Besluit nu trachten te ondersteunen. Het praktische gevolg voor een cliënt die verhuist, blijft daarmee ongewijzigd: hij wordt afgewezen, alleen op een andere grond.
Hier schuilt een reële valkuil en deze moet cliënten ronduit worden voorgehouden. Het opzeggen of laten verlopen van tijdelijke bescherming in de ene lidstaat om in een andere opnieuw aan te vragen, is thans in de meeste gevallen een onomkeerbare fout. Artikel 2 vereist ononderbroken behoud. Verbreek de continuïteit en de voorwaarde inzake militaire verplichtingen kleeft aan alles wat volgt.
2.3 De Nederlandse familie-uitzondering
De IND-bekendmaking voegt een beperking toe die in de EU-tekst nergens te vinden is: de beperking geldt niet voor personen die zich voegen bij gezinsleden die reeds tijdelijke bescherming genieten op grond van de RTB.
Dit is in de praktijk van groot belang en het is de meest bruikbare regel in de publicatie van de IND. Deze weerspiegelt artikel 15 RTB, dat bindende verplichtingen tot gezinshereniging oplegt, en artikel 2 van Besluit 2022/382, dat gezinsleden uit eigen hoofde onder de beschermde categorie brengt. Overweging 15 van het nieuwe Besluit zinspeelt hierop – de criteria moeten worden toegepast “met inachtneming van artikel 15 van [de RTB], indien van toepassing” – maar doet dit zijdelings.
Voor een Oekraïense man wiens echtgenote, partner of minderjarige kinderen reeds tijdelijke bescherming in Nederland genieten, moet deze uitzondering uitdrukkelijk en met zoveel woorden worden ingeroepen bij de aanvraag, onder overlegging van schriftelijk bewijs van de familieband en van de status van het gezinslid. Ga er niet van uit dat de IND deze ambtshalve toepast.
3. Wat “militaire verplichtingen” feitelijk betekent, en de leemte in de redactie
Hier is het Besluit op zijn zwakst en rechtshulpverleners dienen deze zwakte uit te buiten.
Het dispositief verbindt bescherming aan de voorwaarde dat aan de militaire verplichtingen in Oekraïne is voldaan. Overweging 18 verbindt haar aan iets heel anders: dat de betrokkene “was gemachtigd het grondgebied van Oekraïne legaal te verlaten”, aangetoond door een rechtmatige grensoverschrijding of een uitreisstempel, bij gebreke waarvan “een eenvoudig verifieerbaar officieel document, op papier of in elektronische vorm, zoals in de applicatie Reserv+”, dat vrijstelling van of naleving van militaire verplichtingen bevestigt. De bewijslast rust op de aanvrager.
Naleving van militaire verplichtingen en toestemming tot uitreis zijn naar Oekraïens recht niet hetzelfde en het verschil is niet academisch.
- Mannen van 18–22 jaar. Sinds 28 augustus 2025, na de wijziging van de grensoverschrijdingsregels door het kabinet van ministers, mogen zij Oekraïne tijdens de staat van beleg vrijelijk verlaten, mits in het bezit van een geldig paspoort en een militair registratiedocument. Zij zouden normaliter rechtstreeks aan de voorwaarde moeten kunnen voldoen.
- Mannen van 23–24 jaar. Het is hun verboden het land te verlaten, maar zij zijn niet onderworpen aan mobilisatie, die aanvangt op 25-jarige leeftijd. Hun militaire verplichtingen bestaan uit registratie (військовий облік), niet uit dienst. Een 23-jarige die volledig aan zijn registratieverplichtingen voldoet, met een schoon Reserv+-dossier, voldoet aan de tekst van het dispositief van artikel 2, ook al heeft hij het land onregelmatig verlaten en beschikt hij niet over een uitreisstempel.
- Mannen van 25–60 jaar. Mobilisatieplichtig, uitreisverbod behoudens wettelijke gronden (uitstel, vrijstelling, invaliditeit, meerdere kinderen, voogdij, reservering / бронювання, humanitair transport, bepaalde studenten).
- Mannen ouder dan 60, en vrouwen. In het algemeen geen militaire verplichtingen. De poging van overweging 20 om de maatregel genderneutraal te maken door op te merken dat verplichtingen kunnen bestaan “ongeacht leeftijd of geslacht” via dienstneming of “verantwoordelijkheden in verband met militaire activiteiten” is, bij elke realistische beschouwing, een redactioneel vijgenblad.
De consequentie is eenvoudig en moet in elke zaak worden bepleit: artikel 2 legt een nalevingstoets op, geen uitreistoestemmingstoets. Overweging 18 biedt een bewijsrechtelijk hulpmiddel, geen juridische voorwaarde. Het is vaste rechtspraak dat de considerans van een Uniehandeling geen bindende kracht heeft en niet kan worden ingeroepen om van de bepalingen van het dispositief af te wijken (Nilsson, C-162/97; Tyson Parketthandel, C-134/08). Een aanvrager die naleving van, of vrijstelling van, zijn verplichtingen kan aantonen – een uitstelbesluit, een VLK-ongeschiktheidsverklaring, een reserveringscertificaat, invaliditeitsdocumentatie, een Reserv+-uittreksel waaruit geen openstaande verplichting blijkt – voldoet aan artikel 2, ongeacht of hij de grens rechtmatig is overgestoken.
Elke beslissing die bescherming uitsluitend weigert op grond van het ontbreken van een uitreisstempel, is daarom naar mijn mening genomen op basis van een onjuiste juridische toets en is alleen al op die grond vatbaar voor rechterlijke toetsing.
4. De praktische situatie in Nederland
Een man die op grond van de nieuwe voorwaarde wordt afgewezen, staat niet geheel zonder rechtsgang, maar de rechtsgangen zijn smal.
Artikel 17 RTB waarborgt het recht om te allen tijde een verzoek om internationale bescherming in te dienen, en artikel 18 van het Handvest waarborgt het recht op asiel. Overweging 8 van het besluit behoudt dit uitdrukkelijk, maar voegt daar de puntige observatie aan toe dat “desertie en dienstplichtontduiking op zichzelf niet worden beschouwd als gronden voor internationale bescherming.” Die stelling is juist voor zover zij reikt, en materieel onvolledig, zoals paragraaf 5.5 uiteenzet. De Nederlandse asielprocedure zelf is op 12 juni 2026 herzien, en de wijzigingen beïnvloeden hoe een dergelijk verzoek wordt behandeld.
De realistische uitkomst is hard. EUAA-cijfers stellen het inwilligingspercentage voor Oekraïense verzoekers op ongeveer 45% in mei 2026. Een afgewezen verzoeker krijgt een terugkeerbesluit, onderworpen aan een individuele non-refoulementbeoordeling op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, artikel 19, lid 2, van het Handvest en artikel 3 EVRM. Ondertussen is de Nederlandse opvangcapaciteit voor deze groep, naar de regering zelf aangeeft, feitelijk uitgeput. Verzoeken ingediend vanuit tijdelijke bescherming brengen hun eigen moeilijkheid mee, die wij afzonderlijk hebben beschreven in de behandeling van asielverzoeken door tijdelijk beschermden uit Oekraïne.
De procedurele route tegen een IND-afwijzing is de gewone: bezwaar binnen de wettelijke termijn, een verzoek om voorlopige voorziening waar verwijdering of verlies van voorzieningen dreigt, vervolgens beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling. Dat is ook de enige route waarlangs het besluit zelf realistisch kan worden aangevochten, om de hieronder uiteengezette redenen.
5. Waar het besluit kwetsbaar is
Ik zet de argumenten uiteen in afnemende volgorde van kracht. Ik doe dat zonder optimisme over de korte termijn: geen van deze zal snel worden opgelost, en een jurist die een cliënt anders vertelt, bewijst hem een slechte dienst.
5.1 Rechtsgrondslag en bevoegdheid: het sterkste argument
De artikelen 4, lid 2, en 5, lid 3, onder a, RTB zijn een magere fundering voor wat erop is gebouwd.
Artikel 4, lid 2, verleent een bevoegdheid om de duur van tijdelijke bescherming te verlengen wanneer de redenen daarvoor voortduren. Het zegt niets over het herdefiniëren van wie ervan profiteert. Artikel 5, lid 3, onder a, vereist dat het instellingsbesluit een beschrijving bevat van de groepen die eronder vallen, een bepaling over de inhoud van de eerste activering, geen doorlopende vrijbrief om de beschermde klasse jaarlijks opnieuw af te bakenen.
Fundamenteler: het verwijderen van een gedefinieerde groep uit de reikwijdte van de bescherming is, functioneel, een gedeeltelijke beëindiging van de bescherming voor die groep. Artikel 6, lid 2, RTB onderwerpt beëindiging aan een materiële voorwaarde: het Raadsbesluit moet gebaseerd zijn op de vaststelling dat de situatie in het land van herkomst een veilige en duurzame terugkeer toestaat, met eerbiediging van de mensenrechten en de non-refoulementverplichtingen van de lidstaten.
De Raad kan onmogelijk aan die toets voldoen, en zegt dat ook in zijn eigen overwegingen. Overweging 9 stelt dat de situatie in Oekraïne de meerderheid van de ontheemden niet toestaat veilig en duurzaam terug te keren. Overweging 10 memoreert aanhoudende grootschalige luchtaanvallen op burgers en een voortdurend risico op escalatie. Het besluit stelt tegelijkertijd dat Oekraïne onveilig is voor terugkeer en ontneemt bescherming aan de groep die het meest aan het conflict is blootgesteld. Die tegenstrijdigheid ligt op het gezicht van het instrument.
Er is een serieus tegenargument, en daarop moet worden geanticipeerd. De reikwijdte van het huidige stelsel van tijdelijke bescherming wordt niet bepaald door de richtlijn maar door Besluit 2022/382, dat de Raad herhaaldelijk heeft gewijzigd. Als de Raad de reikwijdte mag verruimen, waarom dan niet versmallen? En het Hof heeft in Kaduna (C-244/24 en C-290/24) aanvaard dat lidstaten optionele tijdelijke bescherming die zij bovenop het EU-minimum hadden verleend, mogen beëindigen. Die redenering zou naar analogie kunnen worden uitgebreid naar het Unieniveau.
Het antwoord is dat Kaduna bescherming betrof die in de eerste plaats optioneel was, verleend op grond van artikel 7 RTB; de hier getroffen groep valt binnen de verplichte kern van artikel 2 van Besluit 2022/382. En welke route ook wordt gevolgd, aan de veilige-terugkeertoets van artikel 6, lid 2, is niet voldaan.
Er is ook een structureel argument beschikbaar op grond van artikel 291 VWEU en de rechtspraak van het Hof over de grens tussen uitvoerings- en gedelegeerde maatregelen: een uitvoeringshandeling mag de wezenlijke elementen van de basishandeling niet aanvullen of wijzigen. Wie recht heeft op bescherming is ongeveer het meest wezenlijke element dat er bestaat. Gecombineerd met artikel 28 RTB, dat een uitputtende lijst van uitsluitingsgronden geeft die is opgesteld naar het model van het Vluchtelingenverdrag en niets bevat wat op dienstplichtontduiking lijkt, is de bevoegdheidskwestie reëel.
5.2 Discriminatie
De maatregel is op het eerste gezicht neutraal en treft in de praktijk overweldigend mannen van 18–60 jaar. Dat raakt aan artikel 21 van het Handvest en artikel 14 EVRM gelezen in samenhang met de artikelen 3 en 8. De Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa signaleerde precies dit risico vóór de vaststelling.
De stelling in overweging 22 dat het besluit “de grondrechten eerbiedigt,” en de formule in artikel 2 “onverminderd het Unierecht en de grondrechten,” zijn geen analyse. Zij zijn de afwezigheid van analyse. Nergens in het instrument komt een evenredigheidsbeoordeling voor.
Het antwoord van de Staat zal lopen via artikel 52, lid 1, van het Handvest: het ondersteunen van de zelfverdedigingscapaciteit van Oekraïne is een doelstelling van algemeen belang, en de maatregel is evenredig mits de individuele non-refoulementbeoordeling overeind blijft. Dat is een respectabel argument, en het kan zeer wel slagen. Het tegenargument is dat indirecte discriminatie op grond van geslacht bij de toegang tot bescherming tegen gewapend conflict de meest dwingende rechtvaardiging vereist; dat er geen beoordeling van minder beperkende middelen is uitgevoerd; en dat de Unie de definitie van haar eigen beschermingsbereik feitelijk heeft gedelegeerd aan het evoluerende mobilisatiebeleid van een derde staat, een beleid waarover noch de Unie noch het individu enige controle heeft, en dat de Unie niet kan toetsen.
5.3 Terugwerkende kracht en rechtszekerheid
Zoals uiteengezet onder 2.1, geeft artikel 3 aan artikel 2 werking vanaf 31 juli 2026, vijf dagen vóór de bekendmaking. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich ertegen dat een Unieregel vóór zijn bekendmaking van kracht wordt, behoudens uitzonderlijk, wanneer het nagestreefde doel dit vereist en het gewettigd vertrouwen naar behoren wordt geëerbiedigd (Racke, 98/78). Geen van beide voorwaarden is hier verdedigbaar: overweging 17 vermeldt dat de beoogde datum inwerkingtreding was, en nergens in het instrument wordt een operationele noodzaak voor terugdatering genoemd.
Dit is een smal punt, dat een klein cohort treft. Het is ook het schoonste beschikbare punt, en in een goed gekozen zaak zou het het voertuig kunnen zijn dat het hele instrument voor het Hof brengt.
5.4 Bewijsonmogelijkheid, doeltreffendheid en artikel 47
Iemand die onregelmatig is gevlucht, is per definitie niet in staat bewijs van regelmatig vertrek te leveren. De bewijslast bij hem leggen en tegelijk het aanvaardbare bewijs beperken tot documenten afgegeven door de autoriteiten van de staat die hij is ontvlucht, komt dicht in de buurt van het afhankelijk stellen van bescherming van de medewerking van juist de autoriteit aan wier eisen hij zich onttrekt. Dit verhoudt zich moeizaam tot de vertrouwelijkheidsarchitectuur van het asielacquis en tot artikel 8 van het Handvest, nu verificatie via Reserv+ noodzakelijkerwijs interactie met Oekraïense staatsdatasystemen meebrengt.
Het Besluit voorziet in het geheel niet in een procedureel kader: geen definitie van “gemakkelijk verifieerbaar”, geen aangewezen verificatieautoriteit, geen bewijsstandaard, geen regel over wat er gebeurt wanneer een document niet kan worden verkregen, geen bepaling over het voordeel van de twijfel, geen uitdrukkelijk recht op een gemotiveerde beslissing. Overweging 19 schuift dit alles door naar toekomstige operationele richtsnoeren van de Commissie: soft law, vastgesteld nadat de voorwaarde in werking is getreden.
Artikel 47 van het Handvest vereist een doeltreffende voorziening in rechte, en Krasiliva bevestigt de toepassing ervan op dit terrein. Een voorwaarde waarvan de inhoud onbepaald is en waarvan de vervulling niet verifieerbaar is, kan niet zinvol worden aangevochten. Dat is een effectiviteitsargument met werkelijke kracht.
5.5 De resterende asielroute is smaller dan overweging 8 suggereert, en ruimer dan de IND wellicht veronderstelt
Overweging 8 is juist dat dienstweigering op zichzelf geen grond voor internationale bescherming is. Het is niet het volledige recht.
Artikel 9, lid 2, onder e, van de Kwalificatierichtlijn beschouwt vervolging of bestraffing wegens dienstweigering in een conflict waarin het vervullen van militaire dienst oorlogsmisdaden met zich zou brengen als een daad van vervolging (Shepherd, C-472/13). In EZ (C-238/19) oordeelde het Hof dat er in bepaalde contexten een sterk vermoeden bestaat dat dienstweigering verband houdt met een Verdragsgrond, in het bijzonder politieke overtuiging. Gewetensbezwaren vallen onder artikel 9 EVRM (Bayatyan v Armenia, GK, 2011). En los van de vluchtelingendefinitie kunnen de omstandigheden van gedwongen mobilisatie, de behandeling van degenen die als СЗЧ geregistreerd staan, en detentieomstandigheden op grond van de specifieke feiten subsidiaire bescherming of een verwijderingsverbod op grond van artikel 3 EVRM opleveren.
Overweging 8 mag niet worden gebruikt als een sluiproute om een individuele beoordeling te omzeilen. Waar zij als zodanig wordt ingeroepen, is dat op zichzelf een toetsbare fout.
5.6 Artikel 7 RTB blijft bestaan, en dat is een politieke route, niet alleen een juridische
Overweging 15 handhaaft uitdrukkelijk artikel 7 RTB, dat lidstaten toestaat tijdelijke bescherming uit te breiden tot aanvullende categorieën ontheemden.
Het Besluit verbiedt Nederland dus niet om deze groep bescherming te blijven bieden. Het verplicht er slechts niet langer toe. Dat maakt een deel van de vraag van een juridische tot een politieke, en het is de moeite waard dit tegen cliënten, het parlement en in processtukken te zeggen: de Staat kan zich niet achter Brussel verschuilen. Als mannen van 25–60 jaar die Oekraïne ontvluchten in Nederland worden geweigerd, zal dat een Nederlandse keuze zijn, gemaakt op grond van een toestemming van de Unie, niet een bevel van de Unie. Kaduna zet de gevolgen uiteen die verbonden zijn aan het uitoefenen van de artikel 7-optie, met inbegrip van de voorwaarden voor intrekking ervan, wat een reden is voor zorgvuldigheid, niet voor stilzitten.
6. Hoe een betwisting feitelijk zou worden ingesteld
Realisme is geboden ten aanzien van de procedurele route.
Een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU door een getroffen individu zal vrijwel zeker stranden op de ontvankelijkheid. De Plaumann-toets voor individuele geraaktheid wordt niet vervuld door het behoren tot een open, objectief omschreven groep, en een uitvoeringsbesluit van de Raad gericht tot de lidstaten is geen regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt.
De route is daarom nationaal. Een weigering door de IND, aangevochten via bezwaar en beroep, waarin de geldigheid van artikel 2 van Besluit 2026/1912 aan de orde wordt gesteld, hetzij rechtstreeks, hetzij via de exceptie van onwettigheid op grond van artikel 277 VWEU, met een verzoek om een prejudiciële verwijzing op grond van artikel 267 VWEU. Nationale rechters hebben niet de bevoegdheid om zelf een Uniehandeling ongeldig te verklaren (Foto-Frost, 314/85); een verwijzing is verplicht indien de rechter de ongeldigheidsgrond gegrond acht. Op de Afdeling, als hoogste rechter, rust een CILFIT-verplichting.
De smallere vragen, het conflict inzake terugwerkende kracht tussen 31 juli en 5 augustus, en de juiste juridische toets onder artikel 2 in verhouding tot overweging 18, kunnen en moeten als uitleggingskwesties worden uitgeprocedeerd zonder op Luxemburg te wachten. Zij zijn nu beschikbaar, bij de rechtbank, en ze zijn kansrijk.
Tijdslijnen voor de bevoegdheids- en discriminatiebezwaren zijn alleen realistisch als ze eerlijk worden benoemd: een prejudiciële verwijzing die eind 2026 wordt ingediend, levert geen arrest op vóór 2028, tegen welke tijd het Besluit zal zijn verstreken en de vraag mogelijk zonder voorwerp is geraakt, een structureel kenmerk van jaarlijkse instrumenten dat hen aan rechterlijke toetsing onttrekt, en een kenmerk dat zelf commentaar verdient.
Strategische procesvoering, gecoördineerd met ngo’s en met VluchtelingenWerk Nederland, is een beter vehikel voor de systeempunten dan een individuele zaak. Individuele zaken moeten worden gevoerd op de smalle, snelle argumenten.
7. Praktische handreiking voor een Oekraïense man die nu bescherming zoekt in Nederland
- Als u zich vóór 5 augustus 2026 hebt geregistreerd, valt u buiten de nieuwe voorwaarde. Uw bescherming loopt automatisch door tot 4 maart 2028. Doe niets dat haar onderbreekt, en lees wat de regels zeggen over het tijdelijk verlaten van Nederland voordat u reist.
- Geef uw status in de ene lidstaat niet op om naar een andere te verhuizen. Continuïteit van status in dezelfde lidstaat is wat de vrijstelling beschermt. Het verbreken ervan stelt u bloot aan zowel de voorwaarde inzake militaire verplichtingen als, in Nederland, aan IB 2026/20.
- Als u zich voegt bij familie die hier reeds tijdelijke bescherming geniet, zeg dit dan uitdrukkelijk, schriftelijk, op het moment van de aanvraag, met bewijs van de verwantschap en van hun status. De IND heeft hiervoor een uitzondering gepubliceerd. Beroep u hierop, en beroep u daarnaast op artikel 15 RTB.
- Als u 18–22 jaar bent, verzamel dan uw paspoort en militaire registratiedocument. Legale uitreis is voor uw leeftijdsgroep toegestaan sinds 28 augustus 2025 en zou normaliter aan de voorwaarde moeten voldoen.
- Verzamel nalevingsbewijs, niet alleen uitreisbewijs. Uitstelbeslissingen (відстрочка), VLK-ongeschiktheidsbeslissingen, certificaten van reservering (бронювання), invaliditeitsdocumentatie, bewijs van drie of meer kinderen, voogdijbeschikkingen, studentenstatus, een Reserv+-uittreksel waaruit geen openstaande verplichting blijkt. Elk hiervan valt onder de wettelijke toets van artikel 2, zelfs als u geen uitreisstempel hebt.
- Bewaar het bewijs van de datum waarop u de aanvraag heeft ingediend. Als u tussen 31 juli en 4 augustus 2026 heeft aangevraagd, komt het terugwerkende-krachtargument u toe.
- Dien bij afwijzing tijdig bezwaar in en verzoek om een voorlopige voorziening. Laat de termijn niet verstrijken terwijl u opties overweegt.
- Overweeg parallel een asielaanvraag, maar behandel die niet als vangnet. De inwilligingspercentages zijn allerminst zeker en afwijzing leidt tot een terugkeerbesluit. Win advies in over de vraag of uw individuele omstandigheden artikel 9 lid 2 sub e Definitierichtlijn, EZ, gewetensbezwaren of een risico op schending van artikel 3 EVRM raken, voordat u de aanvraag inkleedt.
- Schakel een advocaat in voordat u zich registreert, niet nadat u bent afgewezen. De inkleding van de eerste aanvraag bepaalt nu de juridische toets die de IND erop toepast. Onze migratierechtpraktijk behandelt precies deze aanvragen en beroepen.
8. Conclusie
Besluit 2026/1912 is een politiek instrument in een juridisch jasje dat het niet past.
Het stelt in de overwegingen 9 en 10 dat Oekraïne niet veilig is voor terugkeer, en ontneemt in artikel 2 bescherming aan degenen die het meest aan de oorlog zijn blootgesteld. Het vermeldt in overweging 17 dat de nieuwe voorwaarde in werking treedt op de dag van bekendmaking, en werkt die in artikel 3 terug. Het maakt bescherming afhankelijk van het voldoen aan militaire verplichtingen en levert vervolgens een bewijstoets die iets heel anders meet. Het creëert een categorie personen die tijdelijke bescherming kan worden geweigerd, asiel kan worden geweigerd, en die toch niet rechtmatig kan worden uitgezet, en geeft geen antwoord op de vraag wat er van hem wordt. Het schort het hele operationele kader op tot richtsnoeren die niet bestonden toen de regel van kracht werd.
De beleidsdoelstelling is legitiem en verdient het eerlijk te worden verwoord: het voortbestaan van Oekraïne hangt af van zijn vermogen een leger op de been te brengen, en de Unie heeft er belang bij dat niet te ondermijnen. Maar een Unie die haar eigen beschermingsnormen afhankelijk maakt van het mobilisatiebeleid van een derde staat, heeft iets prijsgegeven dat zij moeilijk zal kunnen terugnemen, en heeft dat gedaan via een uitvoeringshandeling, zonder de toetsing die een wijziging van de richtlijn zou hebben vereist. Dat, meer dan welke individuele afwijzing ook, is wat juristen zorgen zou moeten baren.
Voor nu is de procedure die ertoe doet smal en onmiddellijk: de ingangsdatum en de juiste juridische toets. Die argumenten zijn vandaag beschikbaar, in een Nederlandse rechtszaal, en ze zijn sterk. De grotere vragen over bevoegdheid en discriminatie zullen jaren vergen en kunnen heel goed worden ingehaald door het aflopen van het instrument dat ze oproept.
Veelgestelde vragen
Ik heb al tijdelijke bescherming in Nederland. Geldt de nieuwe voorwaarde voor mij?
Nee. Artikel 2 van het Besluit is niet van toepassing op personen die vóór of op 30 juli 2026 tijdelijke bescherming genoten en die status ononderbroken in dezelfde lidstaat behouden. De IND gaat verder en verwijst naar personen die vóór 5 augustus 2026 al tijdelijke bescherming in de Europese Unie hadden. Als u zich vóór 5 augustus 2026 heeft geregistreerd, valt u buiten de nieuwe voorwaarde, loopt uw bescherming automatisch door tot 4 maart 2028 en moet u niets doen dat haar onderbreekt.
Ik vraag voor het eerst aan na 5 augustus 2026. Wat moet ik precies bewijzen?
Het dispositief maakt bescherming afhankelijk van het voldoen aan uw militaire verplichtingen in Oekraïne en de bewijslast rust op u. Overweging 18 wijst op rechtmatige grensoverschrijding of een uitreisstempel, bij gebreke waarvan “een gemakkelijk verifieerbaar officieel document, op papier of in elektronische vorm, zoals in de applicatie Reserv+,” dat vrijstelling van of naleving van militaire verplichtingen bevestigt. Naleving van militaire verplichtingen en toestemming om uit te reizen zijn naar Oekraïens recht niet hetzelfde, en het verschil is niet academisch.
Ik heb Oekraïne verlaten zonder uitreisstempel. Wordt mijn aanvraag automatisch afgewezen?
Dat zou niet moeten. Artikel 2 legt een nalevingstoets op, geen uitreistoestemmingstoets, en overweging 18 biedt een bewijsproxy, geen juridische voorwaarde: de preambule van een Uniehandeling heeft geen bindende kracht en kan niet worden ingeroepen om van de bepalingen van het dispositief af te wijken. Een aanvrager die kan aantonen dat hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of daarvan is vrijgesteld, een uitstelbesluit, een VLK-ongeschiktheidsverklaring, een reserveringscertificaat, invaliditeitsdocumentatie, een Reserv+-uittreksel waaruit geen openstaande verplichting blijkt, voldoet aan artikel 2, ongeacht of hij de grens rechtmatig is overgestoken. Elke beslissing die bescherming uitsluitend weigert op grond van het ontbreken van een uitreisstempel, is naar mijn mening genomen op basis van een onjuiste juridische toets.
Mijn vrouw en kinderen hebben hier al tijdelijke bescherming. Kan ik mij nog bij hen voegen?
De IND-kennisgeving voegt een beperking toe die nergens in de EU-tekst staat: de beperking geldt niet voor personen die zich voegen bij gezinsleden die al tijdelijke bescherming onder de RTB hebben. Zij weerspiegelt artikel 15 RvT, dat bindende verplichtingen tot gezinshereniging oplegt. Beroep u er uitdrukkelijk en met zoveel woorden op bij de aanvraag, met schriftelijk bewijs van de familieband en van de status van het gezinslid. Ga er niet van uit dat de IND het ambtshalve zal toepassen.
Ik heb tijdelijke bescherming in een ander EU-land. Kan ik naar Nederland verhuizen?
In de meeste gevallen is dit nu een onomkeerbare fout. Artikel 2 vereist ononderbroken behoud in dezelfde lidstaat: verbreek de continuïteit en de militaire-verplichtingenvoorwaarde is van toepassing op alles wat volgt. Los daarvan sluit IND-beleid IB 2026/20 sinds 15 juni 2026 zelfstandig aanvragers uit die tijdelijke bescherming in een andere lidstaat hebben of hadden, dus het praktische effect voor een cliënt die verhuist is onveranderd: hij wordt afgewezen, alleen op een andere grond.
Tot wanneer loopt de tijdelijke bescherming nu?
Artikel 1 verlengt de tijdelijke bescherming voor de categorieën ontheemden genoemd in artikel 2 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 met nog een jaar, tot 4 maart 2028. Voor mensen die de status al hebben is de verlenging automatisch en is geen aanvraag vereist.
De IND heeft mij afgewezen. Wat kan ik doen, en hoe snel?
De procedurele route is de gebruikelijke: bezwaar binnen de wettelijke termijn, een verzoek om voorlopige voorziening wanneer uitzetting of het wegvallen van voorzieningen dreigt, vervolgens beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling. Laat de termijn niet verstrijken terwijl u opties overweegt. Twee argumenten zijn onmiddellijk beschikbaar en vereisen niet dat op Luxemburg wordt gewacht: het conflict inzake terugwerkende kracht per 31 juli / 5 augustus, en de juiste juridische toets onder artikel 2 in tegenstelling tot overweging 18.
Bronnen
- Uitvoeringsbesluit (EU) 2026/1912 van de Raad van 30 juli 2026, Pb L, 4.8.2026 (data.europa.eu/eli/dec_impl/2026/1912/oj)
- Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 (Richtlijn Tijdelijke Bescherming)
- Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022
- IND, “Richtlijn Tijdelijke Bescherming voor Oekraïne verlengd, met nieuwe voorwaarde voor nieuwe aanvragen”, 5 augustus 2026
- Raad van de EU, persbericht, 15 juli 2026
- HvJEU: C-753/23 A.N. t. Ministerstvo vnitra [Krasiliva], EU:C:2025:133; C-244/24 en C-290/24 Kaduna; C-472/13 Shepherd; C-238/19 EZ; C-297/17 e.a. Ibrahim; 314/85 Foto-Frost; 25/62 Plaumann; 98/78 Racke; C-162/97 Nilsson
- EHRM: Bayatyan t. Armenië [GK], nr. 23459/03, 7 juli 2011
- M. İneli Ciğer en S. Peers, “What is wrong with the decision to exclude some Ukrainians from temporary protection?”, EU Law Analysis, 5 augustus 2026
- EUAA, Latest Asylum Trends, inwilligingspercentages, mei 2026