Article 59
in forceApproved institutions · Sanering, projectsteun en borgingsvoorziening
The guarantee facility shall advise Our Minister, at his request or of its own motion, regarding:
the approval of plans as referred to in Article 29, paragraph 2, second sentence;
the cases in which, in its opinion, a restructuring as referred to in Article 57, paragraph 1, point (a), is necessary;
the costs involved in such remediations in a calendar year and
the amount required in a calendar year for those restructurings, to be raised by application of Article 58.
The Minister may delegate to the guarantee facility:
taking decisions pursuant to the authority referred to in Article 57, paragraph 1, opening words and point (a);
the taking of decisions pursuant to the authority referred to in Article 58, paragraph 2, second sentence, insofar as it relates to the part of the contribution referred to in that paragraph from which subsidies as referred to in Article 57, paragraph 1, preamble and point (a), are funded;
the authority to levy the contribution referred to in Article 58, paragraph 2, whether or not exclusively insofar as that levy relates to the part of that contribution from which subsidies as referred to in Article 57, paragraph 1, preamble and point (a), are funded;
the authority to issue an instruction as referred to in Article 61d, insofar as that instruction relates to the financial restructuring of the approved institution, and
the authority to impose an administrative enforcement order subject to a penalty for non-compliance (last onder dwangsom) pursuant to Article 105, paragraph 1, preamble and part c.
In the event of a mandate as referred to in the second paragraph:
the guarantee facility exercises the powers mandated to it independently of its activities with a view to enabling approved institutions to attract loans;
the guarantee facility ensures that the performance of the categories of activities referred to in point (a) is coordinated in a general sense;
the guarantee provision requires the approval of Our Minister for amendments to its articles of association that relate to the powers mandated to it, and for this purpose, it shall submit every such intended amendment to him;
does the supervisory board also apply Article 31, paragraph 3, with regard to the security provision;
Does the approved institution also apply Article 38, paragraph 1, with regard to the guarantee facility and
Articles 6.1, opening words and point (c), and 7.24, opening words and point (b), of the Government Accounts Act 2016 (Comptabiliteitswet 2016) apply mutatis mutandis.
Insofar as a mandate as referred to in the second paragraph concerns the power in question:
Is Article 57, paragraph 2, applicable by analogy to the security provision or
is, by way of derogation from Article 58, paragraph 2, first sentence, the contribution referred to in that paragraph payable to the guarantee facility.
The guarantee facility shall, insofar as it concerns its activities as referred to in the first paragraph and the powers exercised by it by virtue of a mandate as referred to in the second paragraph, be funded from the contributions referred to in Article 58, second paragraph.
De borgingsvoorziening adviseert Onze Minister op diens verzoek of eigener beweging omtrent:
de goedkeuring van plannen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede volzin;
de gevallen waarin naar haar oordeel een sanering als bedoeld in artikel 57, eerste lid, onderdeel a, noodzakelijk is;
de kosten die in een kalenderjaar met zodanige saneringen gemoeid zijn en
de hoogte van het in een kalenderjaar voor die saneringen benodigde, door toepassing van artikel 58 op te brengen, bedrag.
Door Onze Minister kan aan de borgingsvoorziening worden gemandateerd:
het nemen van de besluiten uit hoofde van de bevoegdheid, genoemd in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
het nemen van de besluiten uit hoofde van de bevoegdheid, genoemd in artikel 58, tweede lid, tweede volzin, voor zover die betrekking heeft op het deel van de bijdrage, bedoeld in dat lid, waaruit subsidies als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, worden bekostigd;
de bevoegdheid tot het heffen van de bijdrage, bedoeld in artikel 58, tweede lid, al dan niet uitsluitend voor zover die heffing betrekking heeft op het deel van die bijdrage waaruit subsidies als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, worden bekostigd;
de bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in artikel 61d, voor zover die aanwijzing betrekking heeft op de financiële sanering van de toegelaten instelling, en
de bevoegdheid tot het op grond van artikel 105, eerste lid, aanhef en onderdeel c, opleggen van een last onder dwangsom.
In geval van een mandaat als bedoeld in het tweede lid:
oefent de borgingsvoorziening de aan haar gemandateerde bevoegdheden onafhankelijk uit van haar werkzaamheden met het oog op het door toegelaten instellingen kunnen aantrekken van leningen;
draagt de borgingsvoorziening er zorg voor dat de uitvoering van de in onderdeel a bedoelde categorieën van werkzaamheden in algemene zin op elkaar is afgestemd;
behoeft de borgingsvoorziening voor wijzigingen van haar statuten, die betrekking hebben op de aan haar gemandateerde bevoegdheden de goedkeuring van Onze Minister en legt zij daartoe elke voorgenomen zodanige wijziging daarvan aan hem voor;
past de raad van commissarissen artikel 31, derde lid, mede toe ten aanzien van de borgingsvoorziening;
past de toegelaten instelling artikel 38, eerste lid, mede toe ten aanzien van de borgingsvoorziening en
zijn de artikelen 6.1, aanhef en onderdeel c, en 7.24, aanhef en onderdeel b, van de Comptabiliteitswet 2016 van overeenkomstige toepassing.
Voor zover een mandaat als bedoeld in het tweede lid de betrokken bevoegdheid betreft:
is artikel 57, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de borgingsvoorziening of
is, in afwijking van artikel 58, tweede lid, eerste volzin, de bijdrage, bedoeld in dat lid, verschuldigd aan de borgingsvoorziening.
De borgingsvoorziening wordt, voor zover het haar werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, en de bevoegdheden, door haar uitgeoefend krachtens een mandaat als bedoeld in het tweede lid, betreft, bekostigd uit de bijdragen, bedoeld in artikel 58, tweede lid.