Dutch Legislation

Article 13b

in force

Bijzondere bepalingen

Housing Act · Chapter III · In force since 2024-01-01

Source
1.

For the purposes of this article, management shall be understood to mean the granting of the use of a building, open yard or land to third parties, the collection of rent on behalf of the owner or the person who was authorised to grant such use, as well as the performance of all acts with regard to that building, open yard or land which, under civil law, pertain to the rights and obligations of an owner, with the exception of alienation and encumbrance.

2.

The municipal executive (college van burgemeester en wethouders) may oblige the person who, as owner or on other grounds, is authorised to grant the use of a building, open yard or premises, to place the building, open yard or premises under the management of the municipal executive, of a person who is professionally or commercially active in the field of housing, or of an institution active in that field, or to grant the use thereof to a person other than the one who, as a result of a closure as referred to in point (c), has had to cease the use of the building, open yard or premises, if:

a.

in respect of a violation of regulations concerning construction activities, demolition activities and the use and maintenance of structures established pursuant to Article 4.3 of the Environment and Planning Act (Omgevingswet), or of regulations concerning the use or condition of open yards or grounds provided for in an environment and planning plan (omgevingsplan), which, in the opinion of the municipal executive (college van burgemeester en wethouders), involves a danger to health or safety, an imposed administrative order subject to a penalty (last onder dwangsom) has not led to the undoing or termination of that violation, or

b.

in respect of a violation of regulations concerning the use of buildings, open yards or grounds, or concerning the prevention of nuisance, as set out in an environmental plan, which, in the opinion of the municipal executive, is accompanied by a threat to the quality of life, an imposed administrative order subject to a penalty payment has not led to the undoing or termination of that violation, or

c.

the building, open yard or premises pursuant to Article 17, or the building pursuant to Article 174a of the Municipalities Act, an ordinance as referred to in Article 174 of that Act or Article 13b of the Opium Act has been closed.

3.

The municipal executive (college van burgemeester en wethouders) may impose conditions on the performance of the obligation to place a building, open yard or site under management or into use, as referred to in the second paragraph.

4.

If the building, open yard or premises requires necessary facilities or modifications in order to be reasonably suitable for habitation or use again, the municipal executive (college van burgemeester en wethouders) may decide, whether or not simultaneously with the decision referred to in the second paragraph, that the person to whom the management has been entrusted shall carry out such facilities or modifications within a specified period. The execution of these facilities or modifications shall be at the expense of the person to whom the decision referred to in the second paragraph is addressed.

5.

The person to whom a decision as referred to in the second paragraph is addressed is prohibited from performing acts of management during the period for which a building, open yard or site has been placed under management.

6.

The person to whom the management has been entrusted shall, after consultation with the person to whom the decision referred to in the second paragraph is addressed, determine the rent at an amount that is reasonable in economic terms and complies with the statutory rules applicable to the rent in question.

7.

If the person in respect of whom a management measure as referred to in the second paragraph is in force commits the violation, as referred to in the second paragraph, point (a) or (b), in respect of a building, open yard or premises other than that for which the measure was imposed, and that violation, in the opinion of the municipal executive (college van burgemeester en wethouders), is accompanied by a threat to the quality of life or a danger to health or safety, the municipal executive may impose a management measure as referred to in the second paragraph upon that person in respect of that other building, open yard or premises.

8.

The municipal executive (college van burgemeester en wethouders) shall terminate the administration.

a.

as soon as the infringement referred to in the second paragraph, point (a) or (b), and the danger to health or safety, or the threat to the quality of life, respectively, have, in its judgment, been terminated;

b.

if applicable, the necessary provisions or adjustments, as referred to in the fourth paragraph, have been made, and

c.

the management fee, as referred to in Article 14, paragraph 2, and the costs due for implementing the provisions or adjustments, as referred to in paragraph 4, have been paid.

1.

Onder beheer wordt in dit artikel verstaan het aan derden in gebruik geven van een gebouw, open erf of terrein, het innen van de huurpenningen namens de eigenaar of degene die tot ingebruikgeving bevoegd was alsmede het verrichten van alle handelingen met betrekking tot dat gebouw, open erf of terrein die volgens het burgerlijk recht tot de rechten en plichten van een eigenaar behoren met uitzondering van vervreemden en bezwaren.

2.

Het college van burgemeester en wethouders kan degene die als eigenaar of uit anderen hoofde bevoegd is tot het in gebruik geven van een gebouw, open erf of terrein, verplichten om het gebouw, open erf of terrein in beheer te geven aan het college van burgemeester en wethouders, aan een persoon die uit hoofde van beroep of bedrijf op het terrein van de huisvesting werkzaam is, of aan een op dat terrein werkzame instelling, dan wel in gebruik te geven aan een andere persoon dan degene die als gevolg van een sluiting als bedoeld in onderdeel c het gebruik van het gebouw, open erf of terrein heeft moeten staken, indien:

a.

ter zake van een overtreding van op grond van artikel 4.3 van de Omgevingswet gestelde voorschriften voor bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken of van voorschriften over het gebruik of de staat van open erven of terreinen gegeven in een omgevingsplan, die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gepaard gaat met een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid, een opgelegde last onder dwangsom niet heeft geleid tot het ongedaan maken of beëindigen van die overtreding, of

b.

ter zake van een overtreding van voorschriften over het gebruik van gebouwen, open erven of terreinen of over het tegengaan van hinder gegeven in een omgevingsplan, die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid, een opgelegde last onder dwangsom niet heeft geleid tot het ongedaan maken of beëindigen van die overtreding, of

c.

het gebouw, open erf of terrein op grond van artikel 17, dan wel het gebouw op grond van artikel 174a van de Gemeentewet, een verordening als bedoeld in artikel 174 van die wet of artikel 13b van de Opiumwet is gesloten.

3.

Het college van burgemeester en wethouders kan voorwaarden stellen aan de uitvoering van de verplichting een gebouw, open erf of terrein in beheer of gebruik te geven, bedoeld in het tweede lid.

4.

Indien het gebouw, open erf of terrein noodzakelijke voorzieningen of aanpassingen behoeft om weer op redelijke wijze tot bewoning of gebruik te kunnen dienen, kan het college van burgemeester en wethouders besluiten, al dan niet gelijktijdig met het besluit, bedoeld in het tweede lid, dat degene aan wie het beheer is gegeven binnen een bepaalde termijn die voorzieningen of aanpassingen uitvoert. De uitvoering van deze voorzieningen of aanpassingen geschiedt op kosten van degene tot wie het in het tweede lid bedoelde besluit is gericht.

5.

Het is degene tot wie een besluit als bedoeld in het tweede lid is gericht, verboden gedurende de termijn waarvoor een gebouw, open erf of terrein in beheer is gegeven beheershandelingen te verrichten.

6.

Degene aan wie het beheer is gegeven, stelt na overleg met degene tot wie het in het tweede lid bedoelde besluit is gericht, de huurprijs vast op een bedrag dat redelijk is in het economische verkeer en voldoet aan de voor de betreffende huurprijs geldende wettelijke regels.

7.

Indien degene ten aanzien van wie een beheermaatregel als bedoeld in het tweede lid van kracht is, de overtreding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b begaat ten aanzien van een ander gebouw, open erf of terrein dan waarvoor de maatregel is opgelegd, en die overtreding gaat naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gepaard met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid, kan het college van burgemeester en wethouders diegene ten aanzien van dat andere gebouw, open erf of terrein een beheermaatregel als bedoeld in het tweede lid opleggen.

8.

Het college van burgemeester en wethouders beëindigt het beheer

a.

zodra de overtreding bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b, en het gevaar voor de gezondheid of veiligheid respectievelijk de bedreiging van de leefbaarheid naar zijn oordeel zijn beëindigd;

b.

indien van toepassing, de noodzakelijke voorzieningen of aanpassingen, bedoeld in het vierde lid, zijn getroffen, en

c.

de beheervergoeding, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en de verschuldigde kosten voor het treffen van de voorzieningen of aanpassingen, bedoeld in het vierde lid, zijn voldaan.