Dutch Legislation

Article 228

in force

Investigation by the examining magistrate · Deskundigen

Code of Criminal Procedure (Sv) · Title III · Section 5 · In force since 2010-01-01

Source
1.

The examining magistrate shall notify the public prosecutor and the suspect of his decision to appoint an expert and of the instructions given to the expert.

2.

In the interest of the investigation, the examining magistrate may, of their own motion or upon the demand of the public prosecutor, postpone the notification referred to in the first paragraph until the interest of the investigation no longer precludes it.

3.

Upon the motion of the public prosecutor or upon the petition of the suspect, the examining magistrate may order additional investigation. The examining magistrate shall notify the expert, the public prosecutor, and the suspect thereof.

4.

The suspect who has been notified of the assignment to the expert is entitled to appoint an expert on his own behalf, who has the right to be present during the expert's investigation, to provide the necessary instructions, and to make observations. He shall notify the examining magistrate and the public prosecutor thereof within one week after the date of the notification pursuant to the first paragraph.

1.

De rechter-commissaris geeft kennis van zijn beslissing tot benoeming van een deskundige aan de officier van justitie en de verdachte en van de opdracht die aan de deskundige is verstrekt.

2.

In het belang van het onderzoek kan de rechter-commissaris ambtshalve of op vordering van de officier van justitie de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, uitstellen, totdat het belang van het onderzoek zich daartegen niet meer verzet.

3.

Op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte kan de rechter-commissaris aanvullend onderzoek bevelen. De rechter-commissaris doet daarvan mededeling aan de deskundige, de officier van justitie en de verdachte.

4.

De verdachte aan wie van de opdracht aan de deskundige kennis is gegeven, is bevoegd zijnerzijds een deskundige aan te wijzen, die het recht heeft bij het onderzoek van de deskundige tegenwoordig te zijn, daarbij de nodige aanwijzingen te doen en opmerkingen te maken. Hij doet daarvan binnen een week na de dagtekening van de mededeling op grond van het eerste lid, opgave aan de rechter-commissaris en de officier van justitie.