Dutch Legislation

Article 6:6:6:14

in force

Transfer of claims and debts and waiver of claims

Code of Criminal Procedure (Sv) · Title 2 · In force since 2020-07-25

Source
1.

If the court, when imposing the measure of placement in an institution for habitual offenders, does not decide on an interim assessment or decides on an assessment one year after the commencement of the execution of the measure, the convicted person may, six months after the commencement of the execution of the measure, submit a petition for an interim assessment. In other cases, a petition may be submitted six months after the decision not to conduct an interim assessment or the decision that continuation of the execution of the measure is required has become irrevocable.

2.

The Public Prosecution Service shall inform the court within the period determined by the court regarding the necessity of the continuation of the enforcement of the measure. Attached to the report shall be a statement from the director of the institution concerning the status of the implementation of the convicted person's residence plan.

3.

If the court, pursuant to the information referred to in the third paragraph, decides that the continuation of the enforcement of the measure is no longer required, it shall terminate the measure with effect from a time to be determined by it. The measure shall remain in force as long as the decision is not irrevocable.

1.

Indien de rechter bij het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders niet beslist tot een tussentijdse beoordeling dan wel beslist tot een beoordeling na een jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, kan de veroordeelde na zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel verzoeken om een tussentijdse beoordeling. In de overige gevallen kan een verzoek worden gedaan na zes maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing om niet tussentijds te beoordelen of van de beslissing dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel is vereist.

2.

Het openbaar ministerie bericht de rechter binnen de door de rechter bepaalde termijn over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Bij het bericht is gevoegd een verklaring van de directeur van de inrichting omtrent de stand van de uitvoering van het verblijfsplan van de veroordeelde.

3.

Indien de rechter naar aanleiding van de in het derde lid bedoelde inlichtingen beslist dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel niet langer is vereist, beëindigt hij deze met ingang van een door hem te bepalen tijdstip. De maatregel blijft van kracht zolang de beslissing niet onherroepelijk is.