Article 31
in forceOffences against public order
When the forfeiture of rights is pronounced, the court shall determine the duration as follows:
in the event of a sentence to life imprisonment, for life;
in the event of a sentence to a temporary term of imprisonment or to detention, for a period exceeding the duration of the principal sentence by at least two and at most five years;
in the event of a sentence to a fine, for a period of at least two and at most five years;
in the event of a separate imposition, for a period of at least two and at most five years.
The forfeiture of the right mentioned in Article 28, paragraph 1, under 3°, shall take effect on the day on which the conviction to that effect has become irrevocable. The forfeiture of any of the other rights mentioned in Article 28, paragraph 1, shall take effect on the day on which the judicial decision may be enforced.
Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter de duur als volgt:
bij veroordeling tot levenslange gevangenisstraf, voor het leven;
bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd de duur van de hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande;
bij veroordeling tot geldboete, voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren;
bij afzonderlijke oplegging, voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren.
De ontzetting van het recht vermeld in artikel 28, eerste lid, onder 3°, gaat in op de dag dat de veroordeling daartoe onherroepelijk is geworden. De ontzetting van een van de andere in artikel 28, eerste lid, vermelde rechten gaat in op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.