Article 113
in forceOffences against public order
Any person who distributes, publicly displays, or posts a writing or image containing an insult to the King, the spouse of the King, the presumptive successor to the King, the spouse of the latter, or the Regent, or who has such a writing or image in stock for the purpose of distribution, public display, or posting, shall, if he knows or has serious reason to suspect that such an insult is contained in the writing or image, be punished with a term of imprisonment not exceeding one year or a fine of the third category.
The same penalty shall be imposed on anyone who, with equal knowledge or an equal reason to suspect, publicly discloses the contents of such a document by means of an oral statement.
If the offender commits one of the offences described in this article in the course of his profession and, at the time of committing the offence, two years have not yet elapsed since a previous conviction of the offender for one of these offences has become irrevocable, he may be disqualified from the practice of that profession.
Hij die een geschrift of afbeelding waarin een belediging voorkomt voor de Koning, de echtgenoot van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning, diens echtgenoot of de Regent, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige belediging voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.