Dutch Legislation

Article 25b

in force

Manner of levy

Corporate Income Tax Act 1969 · Chapter VI · In force since 2022-01-01

Source
1.

The inspector shall determine the amount of withholding taxes to be carried forward, as referred to in Article 25a, paragraph 4, by way of a decision subject to objection, simultaneously with the assessment of the tax for the year in which an amount of withholding taxes to be carried forward exists. The amount referred to in the first sentence shall be stated separately on the tax assessment notice.

2.

Legal remedies against a decision as referred to in the first paragraph may exclusively relate to the amount of the advance levies to be carried forward, insofar as this has not been determined previously.

3.

The inspector may, in all cases, revise or subsequently determine the decision referred to in the first paragraph by way of an appealable decision if the amount referred to in the first paragraph has been determined at an excessively high amount or, as the case may be, has not been determined by way of an appealable decision. The authority to revise or subsequently determine an amount of advance levies to be carried forward in a year shall lapse upon the expiry of five years after the end of the year in which the advance levies were withheld. If an extension has been granted for filing a tax return, the period for revising or subsequently determining an amount of advance levies to be carried forward shall be extended by the duration of this extension.

4.

By way of derogation from the third paragraph, second sentence, the authority to revise or subsequently determine an amount of advance levies to be carried forward in a year shall lapse upon the expiry of twelve years after the end of the year in which the advance levies were withheld, if the inspector imposes a supplementary assessment pursuant to Article 16, fourth paragraph, of the General State Taxes Act (Algemene wet inzake rijksbelastingen).

1.

De inspecteur stelt het bedrag aan voort te wentelen voorheffingen, bedoeld in artikel 25a, vierde lid, vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin sprake is van een bedrag aan voort te wentelen voorheffingen. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.

2.

Rechtsmiddelen tegen een beschikking als bedoeld in het eerste lid kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van het bedrag aan voort te wentelen voorheffingen voor zover dat niet eerder is vastgesteld.

3.

De inspecteur kan de beschikking, bedoeld in het eerste lid, in alle gevallen bij voor bezwaar vatbare beschikking herzien of alsnog vaststellen indien het bedrag, bedoeld in het eerste lid, tot een te hoog bedrag, onderscheidenlijk niet, bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld. De bevoegdheid tot het herzien of alsnog vaststellen van een bedrag aan voort te wentelen voorheffingen in een jaar vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het jaar waarin de voorheffingen zijn geheven. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de termijn voor het herzien of alsnog vaststellen van een bedrag aan voort te wentelen voorheffingen met de duur van dit uitstel verlengd.

4.

In afwijking in zoverre van het derde lid, tweede zin, vervalt de bevoegdheid tot het herzien of alsnog vaststellen van een bedrag aan voort te wentelen voorheffingen in een jaar door verloop van twaalf jaren na afloop van het jaar waarin de voorheffingen zijn geheven indien de inspecteur navordert op grond van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.