Article 25a
in forceSpecial provisions · Small Businesses Scheme · § Application of the small businesses scheme in the Netherlands
An entrepreneur who is established in the Netherlands and whose annual turnover in the Netherlands does not exceed € 20,000 may opt for the application of an exemption from tax in respect of supplies of goods and services effected by the entrepreneur in the Netherlands.
An entrepreneur who is established within the Union but not in the Netherlands may opt for the application of the exemption, provided that the condition is also met that the annual turnover within the Union does not exceed € 100,000.
The exemption does not apply to the delivery of:
new means of transport which are dispatched or transported to another Member State by or on behalf of the vendor or the purchaser; and
immovable property and rights to which such property is subject that the entrepreneur has used in his business.
The entrepreneur who applies the exemption is not entitled to a deduction of tax and may not, in any manner, mention turnover tax on the invoice.
The exemption applies to the entrepreneur who is established in the Netherlands, following a notification to the inspector, as of the first subsequent tax period that commences at least four weeks after receipt of the notification. The notification shall be made in a manner prescribed by the inspector and shall contain at least the annual turnover in the Netherlands in the preceding calendar year and the annual turnover in the Netherlands during the calendar year up to the date of the notification. The inspector may decide, by way of an appealable decision, that the entrepreneur does not qualify for the application of the exemption if it is plausible that the conditions for the application of the exemption will not be met.
The exemption applies to the entrepreneur who is established within the Union but not in the Netherlands, in the event of:
a prior notification as referred to in Article 284(3) of the VAT Directive 2006, from the date on which the Member State in which the taxable person is established communicates the individual number to the taxable person in accordance with the regulations applicable in that Member State; or
an update of a prior notification as referred to in Article 284(4) of the VAT Directive 2006, from the date on which the Member State in which the taxable person is established confirms the individual number to the taxable person following the update that the latter has carried out in accordance with the regulations applicable in that Member State.
The inspector shall decide by way of an appealable decision that the entrepreneur does not qualify for the application of the exemption in the event that the annual turnover in the Netherlands exceeds the amount referred to in the first paragraph in the preceding calendar year or during the calendar year up to the moment of notification.
The application of the exemption by the entrepreneur established in the Netherlands shall remain in effect until terminated by notice of withdrawal by said entrepreneur. The notice of withdrawal shall be submitted by the entrepreneur to the inspector in a manner prescribed by the inspector. The termination of the exemption shall take effect on the first day of the next calendar quarter that commences at least four weeks after receipt of the notice of withdrawal. Following termination by notice of withdrawal, the entrepreneur may only reapply the exemption after the expiration of the calendar year in which the exemption was terminated and the subsequent calendar year.
The application of the exemption by the entrepreneur who is established in the Union but not in the Netherlands shall remain valid until terminated by the withdrawal of this entrepreneur. The withdrawal shall be effected by means of an update of a prior notification as referred to in Article 284(4) of the VAT Directive 2006. The termination of the exemption shall take effect on the first day of the calendar quarter following the receipt of the update by the Member State where the entrepreneur is established. In the event that the update is received in the last month of a calendar quarter, the termination shall take effect on the first day of the second month of the following calendar quarter. Following the termination by withdrawal, the entrepreneur may only apply the exemption again after the expiry of the calendar year in which the exemption was terminated and the subsequent calendar year.
An entrepreneur shall not be eligible for the exemption or may no longer apply it if the annual turnover in the Netherlands exceeds the amount referred to in the first paragraph. An entrepreneur who is established in the Union but not in the Netherlands shall also not be eligible for the exemption or may no longer apply it if the annual turnover in the Union exceeds the amount referred to in the second paragraph. In the aforementioned cases, the entrepreneur shall also not be eligible for the exemption in the subsequent calendar year, or the exemption shall no longer apply to the supply of the good or service that causes such threshold to be exceeded, for the remainder of the calendar year and the subsequent calendar year.
Een ondernemer die in Nederland is gevestigd en van wie de jaaromzet in Nederland niet meer bedraagt dan € 20.000 kan kiezen voor toepassing van vrijstelling van belasting ter zake van door de ondernemer in Nederland verrichte leveringen van goederen en diensten.
Een ondernemer die in de Unie maar niet in Nederland is gevestigd kan kiezen voor toepassing van de vrijstelling mits tevens aan de voorwaarde is voldaan dat de jaaromzet in de Unie niet meer bedraagt dan € 100.000.
De vrijstelling is niet van toepassing op de levering van:
nieuwe vervoermiddelen die door of voor rekening van de verkoper of afnemer worden verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat; en
onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen die de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt.
De ondernemer die de vrijstelling toepast, heeft geen recht op aftrek van belasting en mag op de factuur op geen enkele wijze melding maken van omzetbelasting.
De vrijstelling geldt voor de ondernemer die in Nederland is gevestigd, na een melding aan de inspecteur, vanaf het eerstvolgende belastingtijdvak dat minimaal vier weken na ontvangst van de melding aanvangt. De melding geschiedt op een door de inspecteur voorgeschreven wijze en bevat ten minste de jaaromzet in Nederland in het voorafgaande kalenderjaar en de jaaromzet in Nederland tijdens het kalenderjaar tot aan de melding. De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de ondernemer niet in aanmerking komt voor toepassing van de vrijstelling, indien aannemelijk is dat niet zal worden voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling.
De vrijstelling geldt voor de ondernemer die in de Unie maar niet in Nederland is gevestigd, ingeval van:
een voorafgaande kennisgeving als bedoeld in artikel 284, derde lid, van de BTW-richtlijn 2006, vanaf de datum waarop de lidstaat waar de ondernemer is gevestigd het individuele nummer aan de ondernemer mededeelt volgens de in die lidstaat geldende regelgeving; of
een actualisering van een voorafgaande kennisgeving als bedoeld in artikel 284, vierde lid, van de BTW-richtlijn 2006, vanaf de datum waarop de lidstaat waar de ondernemer is gevestigd, het individuele nummer aan de ondernemer bevestigt naar aanleiding van de actualisering die deze heeft uitgevoerd volgens de in die lidstaat geldende regelgeving.
De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking dat de ondernemer niet in aanmerking komt voor de toepassing van de vrijstelling ingeval de jaaromzet in Nederland het bedrag, genoemd in het eerste lid, overschrijdt in het voorafgaande kalenderjaar of tijdens het kalenderjaar tot aan de kennisgeving.
De toepassing van de vrijstelling door de ondernemer die in Nederland is gevestigd, geldt tot beëindiging door wederopzegging door deze ondernemer. De wederopzegging wordt door de ondernemer gedaan bij de inspecteur op een door de inspecteur voorgeschreven wijze. De beëindiging van de vrijstelling wordt van kracht op de eerste dag van het eerstvolgende kalenderkwartaal dat minimaal vier weken na ontvangst van de wederopzegging aanvangt. De ondernemer kan na de beëindiging door wederopzegging pas na het verstrijken van het kalenderjaar waarin de vrijstelling is beëindigd en het daaropvolgende kalenderjaar opnieuw de vrijstelling toepassen.
De toepassing van de vrijstelling door de ondernemer die in de Unie maar niet in Nederland is gevestigd, geldt tot beëindiging door wederopzegging door deze ondernemer. De wederopzegging geschiedt door middel van een actualisering van een voorafgaande kennisgeving als bedoeld in artikel 284, vierde lid, van de BTW-richtlijn 2006. De beëindiging van de vrijstelling wordt van kracht op de eerste dag van het kalenderkwartaal volgend op de ontvangst van de actualisering door de lidstaat waar de ondernemer is gevestigd. Ingeval de actualisering in de laatste maand van een kalenderkwartaal is ontvangen, wordt de beëindiging van kracht op de eerste dag van de tweede maand van het volgende kalenderkwartaal. De ondernemer kan na de beëindiging door wederopzegging pas na het verstrijken van het kalenderjaar waarin de vrijstelling is beëindigd en het daaropvolgende kalenderjaar opnieuw de vrijstelling toepassen.
Een ondernemer komt niet in aanmerking voor de vrijstelling of mag deze niet langer toepassen indien de jaaromzet in Nederland het bedrag, genoemd in het eerste lid, overschrijdt. Een ondernemer die in de Unie maar niet in Nederland is gevestigd, komt ook niet in aanmerking voor de vrijstelling of mag deze niet langer toepassen indien de jaaromzet in de Unie het bedrag, genoemd in het tweede lid, overschrijdt. In de hiervoor bedoelde gevallen komt de ondernemer ook niet in aanmerking voor de vrijstelling in het daaropvolgende kalenderjaar of is de vrijstelling niet langer van toepassing voor de levering van het goed of de dienst waardoor die overschrijding tot stand komt, gedurende het resterende kalenderjaar en het daaropvolgende kalenderjaar.