Dutch Legislation

Article 7

in force

The obligation to integrate

Civic Integration Act 2021 (Wet inburgering) · Chapter 3 · In force since 2022-01-01

Source
1.

The civic integration examination (inburgeringsexamen) consists of:

a.

the examination of oral and written skills in the Dutch language at least at level B1 of the Common European Framework of Reference for Modern Foreign Languages; and

b.

the examination of the knowledge of Dutch society.

2.

Our Minister or Our Minister of Education, Culture and Science offers the civic integration examination.

3.

The person subject to the integration requirement (inburgeringsplichtige) who possesses a diploma, certificate, or other document designated by ministerial regulation, demonstrating that they possess a part of the skills and knowledge referred to in the first paragraph, is exempted from the obligation to acquire that part of said knowledge or skills.

4.

Rules shall be laid down by or pursuant to an order in council (algemene maatregel van bestuur) concerning:

a.

the content and design of the civic integration examination;

b.

the administration and assessment of the civic integration examination;

c.

the costs due in respect of the civic integration examination;

d.

the identification of the person participating in the civic integration examination.

5.

Rules regarding the second and third paragraphs may be established by or pursuant to an order in council (algemene maatregel van bestuur).

1.

Het inburgeringsexamen bestaat uit:

a.

de examinering van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen; en

b.

de examinering van de kennis van de Nederlandse maatschappij.

2.

Onze Minister of Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap biedt het inburgeringsexamen aan.

3.

De inburgeringsplichtige die beschikt over een bij ministeriële regeling aangewezen diploma, certificaat of ander document waaruit blijkt dat diegene beschikt over een deel van de vaardigheden en kennis, bedoeld in het eerste lid, is vrijgesteld van de verplichting om dat deel van die kennis of vaardigheden te verwerven.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

a.

de inhoud en vormgeving van het inburgeringsexamen;

b.

het afnemen en beoordelen van het inburgeringsexamen;

c.

de ter zake van het inburgeringsexamen verschuldigde kosten;

d.

de identificatie van de persoon die aan het inburgeringsexamen deel neemt.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het tweede en derde lid.