Dutch Legislation

Article 43

in force

Unemployment benefit · § The duration of the maintenance payment

Unemployment Insurance Act (WW) · Chapter II · § 4 · In force since 2015-07-01

Source
1.

Each time after the right to benefit has been revived on the basis of Article 21 following the termination of that right, the benefit shall terminate as much later than the period referred to in Article 42, paragraphs 1, 2 and 3, as the period between the termination and the revival of the right to benefit has lasted.

2.

For the person referred to in Article 29, paragraph 2, part d, opening words and under 1°, of the Sickness Benefits Act (Ziektewet) who receives a benefit pursuant to that Act earlier than the first day of the fourteenth week of the incapacity to perform his work, the period during which the sickness benefit is paid during the first 13 weeks of incapacity to perform his work shall be disregarded for the determination of the period between the termination and the revival of the right to benefit.

3.

For the person referred to in Article 29, paragraph 2, subparagraph e or f, of the Sickness Benefits Act (Ziektewet), for the purpose of determining the period between the termination and the revival of the right to benefit, each time after the right to benefit has terminated due to sickness, the first thirteen weeks during which the person receives a benefit on the basis of the Sickness Benefits Act shall be disregarded.

4.

For the determination of the thirteen-week period referred to in the third paragraph, periods during which a benefit is received pursuant to the Sickness Act (Ziektewet) shall be aggregated if they succeed each other with an interruption of less than four weeks.

5.

Article 19, paragraph 2, applies to paragraphs 2 through 4.

1.

Telkens nadat het recht op uitkering na eindiging van dat recht is herleefd op grond van artikel 21, eindigt de uitkering zoveel later dan de in artikel 42, eerste, tweede en derde lid, bedoelde periode als de periode tussen de eindiging en herleving van het recht op uitkering heeft geduurd.

2.

Voor de persoon, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel d, aanhef en onder 1°, van de Ziektewet die eerder dan de eerste dag van de veertiende week van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid een uitkering ontvangt op grond van die wet wordt voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering, de periode waarin het ziekengeld wordt uitbetaald tijdens de eerste 13 weken van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, buiten beschouwing gelaten.

3.

Voor de persoon, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel e of f, van de Ziektewet worden voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering, telkens nadat het recht op uitkering is geëindigd wegens ziekte, de eerste dertien weken waarin de persoon een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet buiten beschouwing gelaten.

4.

Voor de bepaling van de periode van dertien weken bedoeld in het derde lid, worden perioden waarover een uitkering op grond van de Ziektewet wordt ontvangen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

5.

Artikel 19, tweede lid, is van toepassing op het tweede tot en met vierde lid.