Article 16
in forceUnemployment benefit · § The conditions for the right to a benefit
An employee who becomes unemployed is one who:
in a calendar week has at least five working hours fewer than his average number of working hours per calendar week or has a number of working hours that is at most equal to half of his average number of working hours per calendar week; and
is available to accept work.
The average number of working hours per calendar week referred to in the first paragraph shall mean the average number of working hours in the 26 calendar weeks immediately preceding the calendar week referred to in the first paragraph. If the employee has lost fewer than five working hours compared to his average number of working hours per calendar week, the hours in which the employee performs work by virtue of which he is not considered an employee shall also be taken into account when determining how many working hours the employee has and when determining the average number of working hours per calendar week referred to in the first sentence. For the determination of the period of 26 calendar weeks referred to in the first sentence, calendar weeks, up to a maximum of 78 calendar weeks, in which the employee has taken unpaid leave shall not be taken into account, unless this leads to a lower average number of working hours per calendar week than if those calendar weeks were taken into account.
By administrative regulation (algemene maatregel van bestuur), rules may be established with respect to the first and second paragraphs:
concerning the calculation of the loss of working hours in the event of a consecutive loss of working hours, whereby other periods may be taken into account for the calculation of the average number of working hours;
whereby a shorter or longer period for the calculation of the average number of working hours applies to certain groups of employees.
By way of derogation from the first paragraph, an employee who satisfies the requirements of the first paragraph, subparagraph (a), but does not satisfy the requirements of the first paragraph, subparagraph (b), shall also be considered unemployed by reason of the sole fact that, prior to or following the loss of working hours, he participates or will participate in education or training deemed necessary by the UWV, as referred to in Article 76. For the purposes of Article 16a, second paragraph, an employee to whom the first sentence applies shall be regarded as an employee who satisfies the conditions of the first paragraph.
By way of derogation from the first paragraph, during the period that the notice period legally applicable to the employee is longer than the notice period referred to in Article 64, paragraph 1, subparagraph (b), an employee whose employer does not pay the wages because he is in a state as referred to in Article 61 shall also be unemployed.
If, during an assessment as referred to in Article 6, paragraph 1, of the Work and Income (Capacity for Work) Act (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) or an assessment as referred to in Article 19ab, paragraph 1, of the Sickness Benefits Act (Ziektewet), it has been established that the employee is capable of working for a fewer number of hours than healthy persons with similar education and experience as referred to in Article 1 of the Work and Income (Capacity for Work) Act, yet is less than 35% incapacitated for work, the average number of working hours per calendar week referred to in the second paragraph shall be understood to mean: the number of hours that the employee is capable of working, unless this leads to a higher number of working hours.
For the application of this Act and the provisions based thereon, Monday is the first day of the calendar week.
A right to benefit that has arisen and ends immediately pursuant to Article 20, paragraph 1, subparagraph (c), shall be deemed not to have arisen if the income was enjoyed from activities as an employee.
Werkloos wordt de werknemer die:
in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek; en
beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
Onder het in het eerste lid bedoelde gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het gemiddeld aantal arbeidsuren in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan de kalenderweek, bedoeld in het eerste lid. Indien de werknemer ten opzichte van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek minder dan vijf arbeidsuren heeft verloren, worden bij de bepaling hoeveel arbeidsuren de werknemer heeft en bij de bepaling van het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in de eerste zin, mede in aanmerking genomen de uren waarin de werknemer werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd. Voor de vaststelling van de periode van 26 kalenderweken, bedoeld in de eerste zin, worden kalenderweken, tot een maximum van 78 kalenderweken, waarin de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, niet in aanmerking genomen, tenzij dit leidt tot een lager gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek dan wanneer die kalenderweken wel in aanmerking zouden worden genomen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het tweede lid regels worden gesteld:
omtrent de berekening van het verlies van arbeidsuren bij een opeenvolgend verlies van arbeidsuren, waarbij andere perioden voor de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren in aanmerking kunnen worden genomen;
waarbij voor bepaalde groepen werknemers een kortere of langere periode voor de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren geldt.
In afwijking van het eerste lid is tevens werkloos de werknemer die voldoet aan het eerste lid, onderdeel a, doch niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel b, wegens het enkele feit dat hij voorafgaand aan of aansluitend op het arbeidsurenverlies deelneemt of gaat deelnemen aan een naar het oordeel van het UWV noodzakelijke opleiding of scholing, als bedoeld in artikel 76. Voor de toepassing van artikel 16a, tweede lid, wordt een werknemer op wie de eerste volzin van toepassing is beschouwd als een werknemer die voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid.
In afwijking van het eerste lid is gedurende de periode dat de voor de werknemer rechtens geldende opzegtermijn langer duurt dan de opzegtermijn, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, tevens werkloos de werknemer waarvan de werkgever het loon niet voldoet omdat hij verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61.
Indien bij een beoordeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of een beoordeling als bedoeld in artikel 19ab, eerste lid, van de Ziektewet is vastgesteld dat de werknemer voor een geringer aantal uren belastbaar is dan gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring als bedoeld in artikel 1 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, doch minder dan 35% arbeidsongeschikt is, wordt onder het in het tweede lid bedoelde gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek verstaan: het aantal uren dat die werknemer belastbaar is, tenzij dit leidt tot een hoger aantal arbeidsuren.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de maandag de eerste dag van de kalenderweek.
Een recht op uitkering dat is ontstaan en direct eindigt op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel c, wordt geacht niet te zijn ontstaan indien het inkomen is genoten uit werkzaamheden als werknemer.