Dutch Legislation

Article 174

in force

Administrative enforcement · § Administrative enforcement order

Road Traffic Act 1994 · Chapter X · § 1 · In force since 2013-01-01

Source
1.

If, in respect of a violation of Article 40, paragraph 1, an official report is drawn up by a police officer appointed for the execution of police duties, or if a conduct relating to that provision, as described in the annex referred to in Article 2, paragraph 1, of the Road Traffic Offences (Administrative Enforcement) Act, is established by him, committed with a motor vehicle standing on the road, while it is not immediately apparent who the owner or holder of that motor vehicle is, the mayor is authorised, at the request of that officer, to have that motor vehicle removed to a place designated by him and placed in storage.

2.

Prior to filing the petition referred to in the first paragraph, the official referred to therein may, by means of a device to be applied for that purpose, prevent the driving of the motor vehicle for a period of no more than two days. The device shall be removed within that period as soon as it becomes known who the owner or holder of the motor vehicle is.

3.

Articles 170, paragraph 2, second and third sentences, paragraphs 4, 5 and 6, 171, 172 and 173, paragraph 1, of this Act and Articles 4:116, 4:118 up to and including 4:124, 5:10, 5:25, paragraphs 1 and 6, 5:29, paragraphs 2 and 3, and 5:30, paragraphs 1, 2, 4 and 5, of the General Administrative Law Act shall apply mutatis mutandis.

1.

Indien ter zake van een overtreding van artikel 40, eerste lid, proces-verbaal wordt opgemaakt door een ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een op dat voorschrift betrekking hebbende gedraging, omschreven in de in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften bedoelde bijlage door hem wordt geconstateerd, begaan met een op de weg staand motorrijtuig, terwijl niet terstond blijkt wie de eigenaar of houder van dat motorrijtuig is, is de burgemeester bevoegd op verzoek van die ambtenaar dat motorrijtuig naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen.

2.

Alvorens het in het eerste lid bedoelde verzoek te doen, kan de daar bedoelde ambtenaar door middel van een daartoe aan te brengen apparaat het rijden met het motorrijtuig voor ten hoogste twee dagen beletten. Het apparaat wordt binnen die termijn verwijderd, zodra bekend wordt wie de eigenaar of houder van het motorrijtuig is.

3.

De artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde, vijfde en zesde lid, 171, 172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10, 5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, en 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.