Article 5a
in forceTraffic conduct · § Rules of conduct
It is prohibited for any person to intentionally behave in traffic in such a manner that traffic regulations are seriously violated, if such conduct is likely to result in danger to life or danger of grievous bodily harm to another. The following conduct may be qualified as such traffic behaviour:
failing to keep sufficiently to the right at places with poor visibility;
dangerous overtaking;
disregarding a red cross;
driving on a hard shoulder where this is not permitted;
overtaking before or at a pedestrian crossing;
non-granting of priority;
exceeding the maximum speed established pursuant to this Act;
driving at a very short distance behind another vehicle;
driving through a red light;
driving against the direction of traffic;
holding a mobile electronic device while driving;
failure to comply with traffic directions given by persons authorised to do so under this Act;
infringement of other traffic regulations of similar importance to those mentioned under (a) up to and including (l).
In the application of the first paragraph, account shall also be taken of the extent to which the suspect was in the condition referred to in Article 8, first, second, third, fourth or fifth paragraph.
Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt:
onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen;
gevaarlijk inhalen;
negeren van een rood kruis;
over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan;
inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats;
niet verlenen van voorrang;
overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid;
zeer dicht achter een ander voertuig rijden;
door rood licht rijden;
tegen de verkeersrichting inrijden;
tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden;
niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen;
overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt mede in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid.