Dutch Legislation

Article 180

in force

THE OFFICE

EU Trade Mark Regulation 2017/1001 · Chapter 12 · In force since None

Source

1. In the cases referred to in the first subparagraph of Article 179(1), the date on which the payment shall be considered to have been made to the Office shall be the date on which the amount of the payment or of the transfer is actually entered in a bank account held by the Office.

2. Where the methods of payment referred to in the second subparagraph of Article 179(1) may be used, the Executive Director shall establish the date on which such payments are to be considered to have been made.

3. Where, under paragraphs 1 and 2, payment of a fee is not considered to have been made until after the expiry of the period in which it was due, it shall be considered that this period has been observed if evidence is provided to the Office that the persons who made the payment in a Member State, within the period within which the payment should have been made, duly gave an order to a banking establishment to transfer the amount of the payment, and paid a surcharge of 10 % of the relevant fee or fees, but not exceeding EUR 200. No surcharge shall be payable if the relevant order to the banking establishment has been given not later than 10 days before the expiry of the period for payment.

4. The Office may request the person who made the payment to produce evidence as to the date on which the order to the banking establishment as referred to in paragraph 3 was given and, where required, to pay the relevant surcharge within a period to be specified by it. If the person fails to comply with that request or if the evidence is insufficient, or if the required surcharge is not paid in due time, the period for payment shall be considered not to have been observed.

1. In de in artikel 179, lid 1, eerste alinea, bedoelde gevallen, is de datum waarop de betaling aan het Bureau wordt geacht te zijn verricht de datum waarop het bedrag van de storting of overschrijving daadwerkelijk op een bankrekening van het Bureau verschijnt.

2. Wanneer de in artikel 179, lid 1, tweede alinea, bedoelde betalingsmethoden kunnen worden gebruikt, bepaalt de uitvoerend directeur de datum waarop deze betalingen worden geacht te zijn verricht.

3. Indien, krachtens de leden 1 en 2, de betaling van een taks niet wordt geacht te zijn verricht vóór het verstrijken van de termijn, wordt aangenomen dat deze termijn toch in acht genomen is indien aan het Bureau het bewijs wordt geleverd dat degene die de betaling in een lidstaat heeft verricht binnen de gestelde termijn, wel degelijk een bankinstelling opdracht heeft gegeven om het bedrag van de betaling over te schrijven en een toeslag heeft betaald van 10 % op de betrokken taks of taksen, met een maximum van 200 EUR. Geen toeslag is verschuldigd indien de betrokken opdracht aan de bankinstelling uiterlijk tien dagen vóór het verstrijken van de betalingstermijn is gegeven.

4. Het Bureau kan de betaler verzoeken te bewijzen op welke datum de in lid 3 bedoelde opdracht aan de bankinstelling is gegeven en, indien nodig, de betrokken toeslag binnen een gegeven termijn te betalen. Indien die persoon hieraan geen gevolg geeft of het bewijs ontoereikend is of indien de vereiste toeslag niet tijdig wordt betaald, wordt de betalingstermijn geacht niet te zijn nageleefd.