Dutch Legislation

Article 18

in force

Extradition procedure · Adjudication of the petition for extradition

Extradition Act · Chapter III · Section B · In force since 1967-04-03

Source
1.

A petition for extradition may only be taken into consideration if it complies with the requirements set forth in the following paragraphs of this article.

2.

The petition must be made in writing, either through diplomatic channels or — insofar as the applicable treaty provides for this — directly by transmission to Our Minister.

3.

The petition must be accompanied by:

a.

the original or an authentic copy of either a criminal judgment rendered against the person claimed, which is enforceable, or of a warrant for his arrest issued by the competent authority of the requesting state, or of a document having the same legal force, all drawn up in the form prescribed by the law of that state, and relating to the facts for which extradition is requested;

b.

a statement of the facts for which the extradition is requested, with an indication as precise as possible of the time and place at which they were committed;

c.

the text of the applicable legal provisions or, insofar as unwritten law is applicable, a statement regarding the content of that law sufficient for the assessment of the petition;

d.

the data necessary for establishing the identity of the person claimed and — in the event of possible doubt in that regard — of his nationality.

1.

Een verzoek tot uitlevering kan slechts in overweging worden genomen, indien het voldoet aan de vereisten omschreven in de navolgende leden van dit artikel.

2.

Het verzoek moet schriftelijk worden gedaan, hetzij langs diplomatieke weg, hetzij - voor zover het toepasselijke verdrag daarin voorziet - rechtstreeks door toezending aan Onze Minister.

3.

Het verzoek moet vergezeld gaan van:

a.

het origineel of een authentiek afschrift hetzij van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis, hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft, een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

b.

een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, met een zo nauwkeurig mogelijke vermelding van de tijd en de plaats waarop deze zijn begaan;

c.

de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften of, voorzover ongeschreven recht van toepassing is, een voor de beoordeling van het verzoek voldoende verklaring omtrent de inhoud van dat recht;

d.

de gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van de identiteit van de opgeëiste persoon en - in geval van mogelijke twijfel daaromtrent - van zijn nationaliteit.