Article 3.7
in forceFrequenties
When granting licences for the use of frequency space within the domain of the public media service, as referred to in Article 1.1 of the Media Act 2008, the following shall be observed:
For the general programme channels of the national public media service, as referred to in Article 6.13, paragraph 3, under a, and paragraph 4, under a, of the Media Act 2008, at least one licence shall be granted in such a manner that, insofar as technically possible, national coverage is enabled;
For each province, a licence shall be granted to the media institution that has been designated for the relevant province pursuant to Chapter 2, Title 2.3, of the Media Act 2008 for the provision of the regional public media service for at least one broadcasting network for radio, in such a manner that, insofar as is technically possible, provincial coverage is enabled;
If, in a province, two or more regional public media institutions have been designated pursuant to Chapter 2, Title 2.3, of the Media Act 2008, a licence shall be granted to each of those media institutions, insofar as is technically possible, for a coverage area that is at least equal to their respective service areas;
To every local public media institution that has been designated pursuant to Chapter 2, Title 2.3, of the Media Act 2008, a licence shall be granted for at least one broadcasting network for radio, insofar as this is technically possible and an efficient use of frequency space does not preclude it, for a coverage area that is at least equal to the service area.
If application is given to Article 3.6, paragraph 3, the licence referred to in the first paragraph may be granted to a public media institution other than the public media institution referred to in the first paragraph.
Bij het verlenen van vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke mediadienst, bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008, wordt het navolgende in acht genomen:
voor de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst, bedoeld in artikel 6.13, derde lid, onder a, en vierde lid, onder a, van de Mediawet 2008, wordt ten minste één vergunning verleend op zodanige wijze, dat, voor zover dat technisch mogelijk is, een landelijk bereik mogelijk is;
voor iedere provincie wordt aan de media-instelling die voor de desbetreffende provincie op grond van hoofdstuk 2, titel 2.3, van de Mediawet 2008 is aangewezen voor de verzorging van de regionale publieke mediadienst voor ten minste één omroepnet voor radio, een vergunning verleend op zodanige wijze, dat, voor zover dat technisch mogelijk is, een provinciaal bereik mogelijk is;
indien in een provincie twee of meer regionale publieke media-instellingen op grond van hoofdstuk 2, titel 2.3, van de Mediawet 2008 zijn aangewezen zal, voor zover dat technisch mogelijk is, aan elk van die media-instellingen vergunning worden verleend voor een bereik dat ten minste gelijk is aan de onderscheidene verzorgingsgebieden;
aan iedere lokale publieke media-instelling die op grond van hoofdstuk 2, titel 2.3, van de Mediawet 2008 is aangewezen, zal, voor zover dat technisch mogelijk is, en een doelmatig gebruik van frequentieruimte zich daartegen niet verzet voor ten minste één omroepnet voor radio vergunning worden verleend voor een bereik dat ten minste gelijk is aan het verzorgingsgebied.
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.6, derde lid, kan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, aan een andere publieke media-instelling dan de in het eerste lid bedoelde publieke media instelling worden verleend.