Article 78
in forceBijzondere bepalingen
Any person who acquires assets subject to a usufruct acquired from the same estate, and any person to whom assets are gifted subject to a usufruct reserved by the donor for themselves or for a third party, is, insofar as not otherwise provided by the testator or donor, entitled to demand that the taxes owed by them in this respect be paid from the assets encumbered with the usufruct, unless the usufructuary chooses to advance the amount. No interest is owed to the usufructuary in respect of this payment or that advance. The first and second sentences do not apply with regard to monetary claims as referred to in Article 13, paragraph 3, and Article 80, paragraph 1, of Book 4 of the Civil Code if the estate has been partitioned in accordance with Article 13 of Book 4 of the Civil Code.
The tax on periodic payments, due at the time of establishment, shall be advanced by the person charged with the payment, and shall be deducted at each installment, in proportion to the number of times the installment to be paid is included in the value of the payment taken into account for the levying of the tax, with the addition of statutory interest on the portion of the advanced tax to be deducted from the day on which the tax was advanced until the day of the deduction, all unless other arrangements have been made.
Ieder, die goederen verkrijgt onder bezwaar van een uit dezelfde nalatenschap verkregen vruchtgebruik, en ieder, aan wie goederen worden geschonken onder bezwaar van een door de schenker ten behoeve van zich of een derde voorbehouden vruchtgebruik, is, voor zover daaromtrent door de erflater of schenker niet anders is bepaald, bevoegd te vorderen, dat de belastingen, deswege door hem verschuldigd, worden betaald uit de met vruchtgebruik bezwaarde goederen, tenzij de vruchtgebruiker verkiest het bedrag voor te schieten. Wegens deze betaling of dat voorschot is aan de vruchtgebruiker geen rente verschuldigd. De eerste en tweede volzin zijn niet van toepassing met betrekking tot geldvorderingen als bedoeld in artikel 13, derde lid, en artikel 80, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
De belasting op periodieke uitkeringen, bij de instelling verschuldigd, wordt voorgeschoten door hem, die met de uitkering is belast, en bij iedere termijn van betaling, naar evenredigheid van het aantal malen, waarvoor de te betalen termijn in de voor de heffing van de belasting in aanmerking genomen waarde van de uitkering is begrepen, gekort, met bijberekening van de wettelijke rente over het te korten gedeelte van de voorgeschoten belasting van de dag waarop de belasting is voorgeschoten, tot de dag van de korting, alles tenzij andere regelingen zijn gemaakt.