Article 32
in forceTariff; calculation of the tax; exemptions
Exempt from inheritance tax is that which is acquired:
by the State;
by a province, the public bodies of Bonaire, Sint Eustatius and Saba, or a municipality in the Netherlands, without a specific mandate or with a mandate, if and insofar as this mandate does not deprive the act of its character of having been performed in the public interest;
by an institution pursuing a general interest, insofar as the acquisition is not subject to a charge which deprives the acquisition of its character of having been made in the general interest;
by the persons mentioned hereafter for the amounts stated thereafter:
partner: € 828,035;
children who were maintained largely at the expense of the deceased and who, as a result of illness or infirmity, are presumed to be unable, within the next three years, to earn half of what physically and mentally healthy persons of the same age are able to earn from labour, by performing work commensurate with their strength: € 78,671;
children to whom the exemption referred to in (b) does not apply: € 26,230;
grandchildren: € 26,230;
parents: € 62,110;
other beneficiaries: € 2,769;
to the value of entitlements pursuant to a pension scheme as well as to the value of annuities;
by an institution promoting a social interest, insofar as the acquisition is not subject to a mandate which deprives the acquisition of the character of having been effected in the social interest;
by a supporting foundation (steunstichting) qualifying as an institution for general benefit (SBBI), insofar as no instruction is attached to the acquisition which deprives the acquisition of its character of being intended for the realisation of the objective of the supporting foundation;
by an employee of the testator or his partner or by a surviving relative of such an employee, insofar as what has been acquired can be considered as the performance of a natural obligation (natuurlijke verbintenis) as referred to in Article 3 of Book 6 of the Civil Code, existing in respect of the work performed. Insofar as an acquisition by a surviving relative of the employee of periodic payments pursuant to this provision is exempt from inheritance tax, it shall, for the purposes of this Act, be considered as a benefit attributable to the employee by virtue of a stipulation made for the benefit of the acquirer;
to terms of interest, of annuities, of salaries and of other income that are not yet due.
The value of entitlements under a pension scheme – other than those under the General Old Age Pensions Act (Algemene Ouderdomswet) and the General Surviving Relatives Act (Algemene nabestaandenwet) –, of annuities as well as of entitlements to periodic payments upon death which are acquired by a partner as a result of the death and which are either exempt from inheritance tax pursuant to the first paragraph, under 5°, or are by their nature not taxable under this Act, shall be deducted by half from the amount referred to in the first paragraph, under 4°, part a, provided that after this deduction the exemption does not amount to less than € 213,915. Insofar as the extent of the entitlements referred to in the first sentence is determined by applying Article 13, the acquisition of these entitlements shall, for the application of this paragraph, be deemed to be fully attributable to a withdrawal from the assets of the deceased.
For the purposes of this Act, a pension scheme shall be understood to mean a pension scheme as referred to in Article 1.7, paragraph 2, of the Income Tax Act 2001 or a net pension scheme as referred to in Article 5.17 of that Act.
For the purposes of this article, annuities shall be understood to mean annuities as referred to in Article 3.125 of the Income Tax Act 2001, which are insured with an insurer as referred to in Article 3.126 of that Act, as well as claims to balances of annuity accounts or values of annuity investment rights as referred to in Article 3.126a of that Act, insofar as the premiums paid or the amounts transferred in respect thereof could be deducted for the purposes of income tax as expenses for income provisions, as well as net annuities as referred to in Article 5.16 of that Act.
Van erfbelasting is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:
door de Staat;
door een provincie, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of een gemeente in Nederland, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de making niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
door een algemeen nut beogende instelling, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen:
partner: € 828.035;
kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en die ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 78.671;
kinderen voor wie de onder b bedoelde vrijstelling niet van toepassing is: € 26.230;
kleinkinderen: € 26.230;
ouders: € 62.110;
overige verkrijgers: € 2.769;
aan waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling alsmede aan waarde van lijfrenten;
door een sociaal belang behartigende instelling, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het sociaal belang;
door een steunstichting SBBI, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn bestemd voor de realisatie van de doelstelling van de steunstichting;
door een werknemer van de erflater of zijn partner of door een nabestaande van zodanige werknemer, voor zover het verkregene kan worden beschouwd als de voldoening aan een ter zake van de verrichte arbeid bestaande natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van erfbelasting, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding;
aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten.
De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling – andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet –, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een partner ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van erfbelasting zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, onder 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, onder 4°, onderdeel a, bedoelde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 213.915. Voor zover de omvang van de in de eerste volzin bedoelde aanspraken wordt bepaald met toepassing van artikel 13, wordt de verkrijging van deze aanspraken voor de toepassing van dit lid, geacht geheel te kunnen worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater.
Onder pensioenregeling wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een nettopensioenregeling als bedoeld in artikel 5.17 van die wet.
Onder lijfrenten worden verstaan lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001, welke zijn verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126 van die wet, alsmede aanspraken op tegoeden van lijfrenterekeningen of waarden van lijfrentebeleggingsrechten als bedoeld in artikel 3.126a van die wet, voorzover de terzake voldane premies respectievelijk de overgemaakte bedragen voor de heffing van de inkomstenbelasting als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek konden worden gebracht, alsmede nettolijfrenten als bedoeld in artikel 5.16 van die wet.
Decisions of the Dutch Supreme Court (Hoge Raad) applying this article. Annotations are unofficial translations.
Inheritance Tax; Article 1a, paragraph 4, Successiewet 1956 (text until 1 January 2021); Article 32, paragraph 1, sub 4°, letter a, Successiewet 1956; Article 128 Transitional Act of the new Civil Code. Partner exemption for a child providing informal care after the expiry of the Social Support Act (Wet maatschappelijke ondersteuning)? Conflict with Article 1 of Protocol No. 1 to the ECHR or Article 14 of the ECHR? Invocation of the legitimate portion (legitieme portie) in an estate that has devolved under the old law of succession. Influence on the size of the estate of the surviving parent.
Decision on rechtspraak.nlArticle 1, paragraph 7, Successiewet (Succession Act); is a legacy to be qualified as a gift which is exempt by reason of the fulfilment of a natural obligation (Article 33, preamble and under 12°, Successiewet)?
Decision on rechtspraak.nl