Article 7
in forceThe termination of the reception
The right to reception ends in the following cases:
if it concerns an asylum seeker to whom a residence permit has been granted:
on the day on which, in the opinion of the COA, housing outside the reception facility can be realised, or;
on the day on which a municipality makes temporary shelter available, provided that the alien to whom a municipality makes temporary shelter available outside the reception facility remains entitled to the provisions referred to in Article 9b, paragraph 4, for a further period of a maximum of six months;
if it concerns an asylum seeker who is lawfully removable due to the non-granting of the asylum application which confers a right to reception: on the day following the day on which the foreign national became lawfully removable;
if it concerns an asylum seeker to whom reception has been provided pursuant to Article 3, paragraph 3, opening words and under d, of this regulation:
on the day on which, in the opinion of the COA, housing outside the reception facility can be realised for the asylum seeker with whom family reunification is intended, or;
on the day on which a municipality makes temporary shelter available, provided that the alien to whom a municipality makes temporary shelter available outside the reception facility remains entitled to the provisions referred to in Article 9b, paragraph 4, for a maximum period of six months;
if it concerns an asylum seeker to whom reception has been provided pursuant to Article 3, paragraph 3, opening words and under f and g of this regulation: four weeks after the lawful residence, as referred to in Article 8, opening words and under j, of the Aliens Act 2000 has ended;
if it concerns an asylum seeker to whom reception has been provided by application of Article 3, paragraph 3, opening words and under h, of this regulation: on the day following the day on which, in the opinion of Our Minister, there is no longer a question of factually the same situation, as referred to in Article 64 of the Aliens Act 2000;
if it concerns an asylum seeker to whom reception has been provided by application of Article 3, paragraph 3, opening words and under i, of this regulation: four weeks after the day on which the decision, as referred to in Article 45, paragraph 4, of the Aliens Act 2000, is withdrawn;
if it concerns an asylum seeker to whom reception has been provided pursuant to Article 3, paragraph 3, opening words and under j of this regulation: four weeks after the day on which the decision, as referred to in Article 45, paragraph 6 of the Aliens Act 2000, has been withdrawn;
if an asylum seeker has been declared an undesirable alien as referred to in Article 67 of the Aliens Act 2000 or if it concerns an asylum seeker against whom an entry ban as referred to in Article 66a, paragraph 7, of that Act applies and the alien does not have lawful residence: immediately;
if it concerns an asylum seeker who does not arrive at a reception facility or at the enforcement and supervision location within 48 hours after transfer: at the moment at which this period expires;
if it concerns an asylum seeker who has failed to comply with the duty to report to the Aliens Police on two consecutive occasions: two weeks after he failed to report to the Aliens Police for the first time;
if an asylum seeker has provided incorrect information or has withheld information, with the intent to thereby wrongfully create an entitlement for himself or for those for whom he cares to the provisions referred to in Article 9 of this regulation, or to wrongfully increase the level of the provisions;
if an asylum seeker has not obtained the consent as referred to in Article 12 of this regulation;
if it concerns an asylum seeker who has exhausted all legal remedies to whom reception has been provided by application of Article 3, paragraph 3, opening words and under (o), of this regulation: four weeks after the lawful residence, referred to in Article 8, opening words and under (h), of the Aliens Act 2000, has ended;
if it concerns a foreign national who has received a transfer decision as referred to in Article 44a of the Aliens Act 2000, whose presence in the Netherlands, having regard to Article 17, paragraph 4, of the Asylum and Migration Management Regulation, is no longer required, and this is in accordance with Article 18 of the Asylum and Migration Management Regulation, on the understanding that the foreign national, until the moment of actual transfer to the responsible Member State, is entitled to the provisions referred to in Article 9a. Minor foreign nationals in a family context retain the right to the provisions referred to in Article 9. The obligations that a foreign national has during his stay in reception pursuant to Chapter V also continue to apply.
An application for the granting of a residence permit as referred to in Article 14 of the Aliens Act 2000 does not affect the moment of termination of the right to reception.
In derogation from paragraph 1, opening words and point (e), the right to reception ends if it concerns a rejected asylum seeker, who, prior to the application on medical grounds, has submitted his complete and up-to-date medical records, to whom reception has been provided pursuant to Article 3, paragraph 3, opening words and point (g), of this regulation: four weeks after the lawful residence as referred to in Article 8, opening words and point (f), of the Aliens Act 2000 has ended.
Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen:
indien het een asielzoeker betreft aan wie een verblijfsvergunning is verleend:
op de dag waarop naar het oordeel van het COA huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, of;
op de dag waarop een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt, met dien verstande dat de vreemdeling aan wie een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt buiten de opvangvoorziening nog gedurende een periode van maximaal zes maanden recht heeft op de in artikel 9b, vierde lid, genoemde verstrekkingen;
indien het een asielzoeker betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag die recht geeft op opvang: op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden;
indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder d van deze regeling opvang is geboden:
op de dag waarop voor de asielzoeker met wie gezinshereniging wordt beoogd naar het oordeel van het COA huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, of;
op de dag waarop een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt, met dien verstande dat de vreemdeling aan wie een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt buiten de opvangvoorziening nog gedurende een periode van maximaal zes maanden recht heeft op de in artikel 9b, vierde lid, genoemde verstrekkingen;
indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f en g van deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;
indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder h van deze regeling opvang is geboden: op de dag na de dag waarop naar het oordeel van Onze Minister niet langer sprake is van feitelijk dezelfde situatie, als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;
indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder i van deze regeling opvang is geboden: vier weken na de dag waarop het besluit, als bedoeld in artikel 45 vierde lid van de Vreemdelingenwet 2000, is ingetrokken;
indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder j van deze regeling opvang is geboden: vier weken na de dag waarop het besluit, als bedoeld in artikel 45, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000 is ingetrokken;
indien een asielzoeker tot ongewenst vreemdeling als bedoeld in artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 is verklaard of indien het een asielzoeker betreft jegens wie een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van die wet geldt en de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft: onmiddellijk;
indien het een asielzoeker betreft die niet binnen 48 uur na overplaatsing in een opvangvoorziening dan wel in de handhavings- en toezichtlocatie, arriveert: op het moment waarop deze termijn verstrijkt;
indien het een asielzoeker betreft die twee opeenvolgende malen niet heeft voldaan aan de meldplicht bij de Vreemdelingenpolitie: twee weken nadat hij voor de eerste maal heeft verzuimd zich bij de Vreemdelingenpolitie te melden;
indien een asielzoeker onjuiste gegevens heeft verstrekt danwel gegevens heeft achtergehouden, met het oogmerk om aldus voor zichzelf of voor degenen voor wie hij zorgt, ten onrechte een aanspraak te doen ontstaan op de verstrekkingen bedoeld in artikel 9 van deze regeling, danwel ten onrechte de hoogte van de verstrekkingen te doen stijgen;
indien een asielzoeker niet de instemming heeft verkregen als bedoeld in artikel 12 van deze regeling;
indien het een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder o, van deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h,van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;
indien het een vreemdeling betreft die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen, wiens aanwezigheid in Nederland gelet op artikel 17, vierde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, niet langer vereist is, en dit in overeenstemming is met artikel 18 van de Asiel- en migratiebeheerverordening, met dien verstande dat de vreemdeling tot het moment van feitelijke overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat recht heeft op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9a. Minderjarige vreemdelingen in gezinsverband behouden recht op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9. Ook duren de verplichtingen die een vreemdeling gedurende zijn verblijf in de opvang heeft op grond van Hoofdstuk V voort.
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is niet van invloed op het moment van het eindigen van het recht op opvang.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder e, eindigt het recht op opvang indien het een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft, die voorafgaand aan de aanvraag op medische gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd, aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder g, van deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd.