Dutch Legislation

Article 3

in force

Admission to the shelter

Asylum Seekers Provisions Regulation 2005 (Rva) · Chapter II · In force since 2026-07-01

Source
1.

The COA ensures the central reception of asylum seekers by providing that they are offered reception in a reception facility.

2.

The categories of asylum seekers referred to in the first paragraph to whom reception is provided include:

a.

the asylum seeker as referred to in Article 1, opening words and under (d), of this regulation;

b.

the asylum seeker as referred to in Article 1, opening words and point (e), of this regulation.

3.

Equated with the categories of asylum seekers referred to in the previous paragraph are:

a.

the alien whose asylum application has been rejected and in respect of whom a timely submitted petition to that effect for the granting of a provisional measure to be allowed to await the consideration of the notice of appeal and notice of further appeal in the Netherlands, has been granted;

b.

an unaccompanied minor alien whose asylum application has been rejected;

c.

the alien to whom the residence permit, referred to in Article 14 or 28 of the Aliens Act 2000, has been granted and who, with due observance of Article 12, is already residing in the central reception facility, or is residing in the enforcement and supervision location awaiting moving into residential accommodation in a municipality;

d.

the alien who has submitted an application for the granting of the residence permit as referred to in Article 14 of the Aliens Act 2000 subject to a restriction relating to residence as a family member or relative in the event of family reunification with an asylum seeker to whom reception is provided pursuant to this regulation;

e.

the alien who is not residing in a reception facility as referred to in Article 1 of the Central Agency for the Reception of Asylum Seekers Act, and who is put in possession of an asylum residence permit for a fixed period, or is put in possession of an asylum-related residence permit, from the moment of the granting of the permit until the moment at which housing outside the reception facility can be realised, or from the moment that a municipality makes temporary accommodation available, unless the alien is already housed in a reception facility by public authorities;

f.

the alien whose expulsion pursuant to Article 64 of the Aliens Act 2000 is not carried out, with the exception of the alien who is awaiting the final decision on his petition for the application of Article 64 of the Aliens Act 2000 and who is not an asylum seeker who has exhausted all legal remedies and who is likewise not an alien who is awaiting the judgment on appeal in his asylum procedure;

g.

the alien to whom, in connection with the investigation into the actual accessibility of the necessary care in his country of origin, provisional postponement of departure pursuant to Article 64 of the Aliens Act 2000 has been granted, pending the final decision on his request for the application of Article 64 of the Aliens Act 2000;

h.

the alien who lawfully resides in the Netherlands, as referred to in Article 8, introductory wording and under f or h of the Aliens Act 2000, and who, in the opinion of Our Minister, is factually in the same situation as referred to in Article 64 of the Aliens Act 2000;

i.

the alien to whom a decision as referred to in Article 45, paragraph 4, of the Aliens Act 2000 applies;

j.

the alien to whom a decision as referred to in Article 45, paragraph 6, of the Aliens Act 2000 applies;

k.

the alien to whom a residence permit as referred to in Article 28 of the Aliens Act 2000 is issued;

l.

the invited refugee, even if a residence permit has already been granted;

m.

the alien whose asylum application has been rejected and who has lawful residence as referred to in Article 8, under h, of the Aliens Act 2000 on the basis of an interim measure (‘interim measure’) ordered by the President of the European Court of Human Rights, which provides that the alien may not be expelled for the time being;

n.

the asylum seeker who has exhausted all legal remedies or the alien who is awaiting the decision on appeal in his asylum procedure with lawful residence as referred to in Article 8, opening words and under (f), of the Aliens Act 2000, who, prior to the submission of an application for a residence permit as referred to in Article 14 of the Aliens Act 2000 subject to the restriction 'medical treatment', has submitted his complete and up-to-date medical data;

o.

the asylum seeker who has exhausted all legal remedies to whom a residence permit as referred to in Article 14 of the Aliens Act 2000 subject to the restriction 'residence for undergoing medical treatment' or 'residence due to a medical emergency' has been granted on the basis of complete and up-to-date medical data submitted prior to the application;

p.

the asylum seeker who has exhausted all legal remedies or the alien who is awaiting the decision on appeal in his asylum procedure with lawful residence as referred to in Article 8, opening words and under (h), of the Aliens Act 2000, who, prior to the application for residence on medical grounds, has submitted his complete and up-to-date medical data;

q.

the alien who has lawful residence pursuant to Article 8, under m, of the Aliens Act 2000;

r.

the alien who has been put in possession of a provisional residence permit as referred to in Article 1a, under b, of the Aliens Act 2000 and meets the conditions of Article 29, paragraph 2, of that Act;

s.

the alien to whom, pursuant to the Closure Scheme of the Final Regulation for Long-Term Resident Children, a residence permit as referred to in Article 14 of the Aliens Act 2000 has been granted.

4.

The COA shall ensure the central reception of other categories of aliens, as referred to in Article 3, paragraph 2, of the Central Agency for the Reception of Asylum Seekers Act, upon a request to that effect from Our Minister.

1.

Het COA draagt zorg voor de centrale opvang van asielzoekers door erin te voorzien dat hen opvang wordt geboden in een opvangvoorziening.

2.

Tot de in het eerste lid bedoelde categorieën asielzoekers aan wie opvang wordt geboden behoren:

a.

de asielzoeker als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d van deze regeling;

b.

de asielzoeker als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e van deze regeling.

3.

Met de in het vorige lid bedoelde categorieën asielzoekers worden gelijkgesteld:

a.

de vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen en ten aanzien van wie een daartoe strekkend en tijdig ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om de behandeling van het beroeps- en hoger beroepsschrift in Nederland te mogen afwachten, is toegewezen;

b.

een alleenstaande minderjarige vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen;

c.

de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 of 28 van de Vreemdelingenwet 2000, is verleend en die, met inachtneming van artikel 12, reeds in de centrale opvang verblijft, dan wel verblijft in de handhavings- en toezichtlocatie in afwachting van het betrekken van woonruimte in een gemeente;

d.

de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ingediend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid indien sprake is van gezinshereniging met een asielzoeker aan wie met toepassing van deze regeling opvang wordt geboden;

e.

de vreemdeling die niet in een opvangvoorziening verblijft als bedoeld in artikel 1 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, en die in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, of in het bezit wordt gesteld van een asielgerelateerde verblijfsvergunning, vanaf het moment van vergunningverlening tot het moment waarop huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, of vanaf het moment dat een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt, tenzij de vreemdeling reeds van overheidswege in een opvangvoorziening is gehuisvest;

f.

de vreemdeling wiens uitzetting op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 achterwege blijft, met uitzondering van de vreemdeling die in afwachting is van de definitieve beslissing op zijn verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 en die niet een uitgeprocedeerde asielzoeker is en die evenmin een vreemdeling is die in afwachting is van de uitspraak in hoger beroep in zijn asielprocedure;

g.

de vreemdeling aan wie in verband met het onderzoek naar de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke zorg in zijn land van herkomst voorlopig uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend in afwachting van de definitieve beslissing op zijn verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;

h.

de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h van de Vreemdelingenwet 2000, en zich, naar het oordeel van Onze Minister, feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;

i.

de vreemdeling op wie een besluit als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is;

j.

de vreemdeling op wie een besluit als bedoeld in artikel 45, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is;

k.

de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt verstrekt;

l.

de uitgenodigde vluchteling, ook en indien reeds een verblijfsvergunning is verleend;

m.

de vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen en die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van een door de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens getroffen voorlopige maatregel (‘interim measure’) waarin is bepaald dat de vreemdeling vooralsnog niet mag worden uitgezet;

n.

de uitgeprocedeerde asielzoeker of de vreemdeling die in afwachting is van de uitspraak in hoger beroep in zijn asielprocedure met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000, die voorafgaand aan de indiening van een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking ‘medische behandeling’ zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd;

o.

de uitgeprocedeerde asielzoeker aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking ‘verblijf voor het ondergaan van medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ is verleend op basis van voorafgaand aan de aanvraag overgelegde complete en actuele medische gegevens;

p.

de uitgeprocedeerde asielzoeker of de vreemdeling die in afwachting is van de uitspraak in hoger beroep in zijn asielprocedure met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000, die voorafgaand aan de aanvraag om verblijf op medische gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd;

q.

de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder m, van de Vreemdelingenwet 2000;

r.

de vreemdeling die in het bezit is gesteld van een machtiging tot voorlopig verblijf als bedoeld in artikel 1a, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 en voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van die wet;

s.

de vreemdeling aan wie op grond van de Afsluitingsregeling Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend.

4.

Het COA draagt zorg voor de centrale opvang van andere categorieën vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3, tweede, lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, na een verzoek hiertoe van Onze Minister.