Article 5
in forceGeneral provisions
For the application of Article 4, a disclosure of the invention shall be disregarded if it has not occurred earlier than six months before the date of filing of the patent application as a direct or indirect consequence of:
a manifest abuse in relation to the applicant or their legal predecessor, or
the fact that the applicant or his predecessor in title has exhibited the invention at official or officially recognised exhibitions within the meaning of the Convention relating to International Exhibitions, signed at Paris on 22 November 1928, as amended, most recently by the Protocol of 30 November 1972 (Trb. 1973, 100), provided that the applicant, upon filing his application, declares that the invention has indeed been exhibited and submits supporting evidence thereof within a period to be determined by Order in Council and in accordance with regulations to be laid down by Order in Council.
The official recognition of exhibitions in the Netherlands shall be granted by Our Minister, and that of exhibitions in Curaçao and Sint Maarten by the government of Curaçao and the government of Sint Maarten, respectively.
Exhibitions in the Netherlands and those in the Netherlands Antilles which, prior to the entry into force of the Kingdom Act on the adaptation of Kingdom Acts to the establishment of the new countries, were recognised by Our Minister of Economic Affairs and by the government of the Netherlands Antilles, respectively, shall, after the entry into force of that Kingdom Act, be deemed to be exhibitions as referred to in Article 5, paragraph 2.
Voor de toepassing van artikel 4 blijft een openbaarmaking van de uitvinding buiten beschouwing, indien deze niet eerder is geschied dan zes maanden voor de dag van indiening van de octrooiaanvrage als direct of indirect gevolg van:
een kennelijk misbruik ten opzichte van de aanvrager of diens rechtsvoorganger, of
het feit, dat de aanvrager of diens rechtsvoorganger de uitvinding heeft tentoongesteld op van overheidswege gehouden of erkende tentoonstellingen in de zin van het Verdrag inzake Internationale Tentoonstellingen, ondertekend te Parijs op 22 november 1928, zoals dat is gewijzigd, laatstelijk bij Protocol van 30 november 1972 (Trb. 1973, 100), op voorwaarde dat de aanvrager bij de indiening van zijn aanvrage verklaart dat de uitvinding inderdaad is tentoongesteld en een bewijsstuk daarvoor overlegt binnen een bij algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen termijn en overeenkomstig bij algemene maatregel van rijksbestuur te stellen voorschriften.
De erkenning van overheidswege van tentoonstellingen in Nederland geschiedt door Onze Minister en die van tentoonstellingen in Curaçao en Sint Maarten door de regering van Curaçao respectievelijk van Sint Maarten.
De tentoonstellingen in Nederland en die in de Nederlandse Antillen die voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen zijn erkend door Onze Minister van Economische Zaken respectievelijk door de regering van de Nederlandse Antillen gelden na de inwerkingtreding van die rijkswet als tentoonstellingen als bedoeld in artikel 5, tweede lid.