Article 69
in forceGeneral provisions regarding the pension provider · § Disposition of pension
A pension provider is obliged, at the request of the person entitled to a pension, to proceed with the commutation of the part of the pension entitlements that exceeds the limits set out in Chapters IIB and VIII of the Wages Tax Act 1964 (Wet op de loonbelasting 1964). The first sentence does not apply with respect to a net pension, unless Article 5.17e, paragraph 5, subparagraph a, of the Income Tax Act 2001 (Wet inkomstenbelasting 2001) is applicable.
A pension provider has the right towards the person entitled to a net pension to commute a claim to a net pension if:
the person entitled to the net pension is a former participant or the accrual of net pension has otherwise been terminated;
on the basis of the accrued entitlement to net pension, the payment of the net pension on an annual basis on the regular commencement date will be less than the amount determined on the basis of Article 66; and
the person entitled to the net pension consents to the commutation.
For the purposes of this Article, Articles 3.18, paragraphs 4 and 5, and 3.95, paragraph 1, second sentence, of the Income Tax Act 2001 (Wet inkomstenbelasting 2001) shall apply mutatis mutandis insofar as the pension scheme is participated in by participants who are not classified as employees within the meaning of the Wages Tax Act 1964 (Wet op de loonbelasting 1964).
The surrender value shall be made available by the pension provider to the participant or former participant, with the exception of the surrender value for a special partner pension which shall be made available to the former partner.
The pension provider shall ensure, when determining the surrender value by establishing a surrender rate, that no distinction is made between men and women, whereby the requirement of collective actuarial equivalence is met.
Any clause contrary to this Article is void.
By or pursuant to an Order in Council (algemene maatregel van bestuur), rules may be established regarding the determination of the surrender value.
Een pensioenuitvoerder is verplicht om op verzoek van de gerechtigde tot een pensioen over te gaan tot afkoop van het deel van de pensioenaanspraken dat uitgaat boven de begrenzingen die zijn opgenomen in de hoofdstukken IIB en VIII van de Wet op de loonbelasting 1964. De eerste zin is niet van toepassing met betrekking tot een nettopensioen, tenzij sprake is van toepassing van artikel 5.17e, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Een pensioenuitvoerder heeft jegens de gerechtigde tot een nettopensioen het recht om een aanspraak op nettopensioen af te kopen indien:
de gerechtigde tot het nettopensioen een gewezen deelnemer is of de opbouw van nettopensioen anderszins beëindigd is;
op basis van de opgebouwde aanspraak op nettopensioen de uitkering van het nettopensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum minder zal bedragen dan het op basis van artikel 66 bepaalde bedrag; en
de gerechtigde tot het nettopensioen instemt met de afkoop.
Voor de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 3.18, vierde en vijfde lid, en 3.95, eerste lid, tweede volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing voor zover aan de pensioenregeling wordt deelgenomen door deelnemers die niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964.
De afkoopwaarde wordt door de pensioenuitvoerder aan de deelnemer of gewezen deelnemer ter beschikking gesteld, met uitzondering van de afkoopwaarde voor een bijzonder partnerpensioen die ter beschikking wordt gesteld aan de gewezen partner.
De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van de afkoopwaarde door vaststelling van een afkoopvoet dat geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen waarbij voldaan wordt aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen er regels worden gesteld aan het vaststellen van de afkoopwaarde.