Dutch Legislation

Article 60

in force

General provisions regarding the pension provider · § Disposition of pension

Pensions Act (Pensioenwet) · Chapter 4 · § 4.3 · In force since 2023-07-01

Source
1.

If a pension scheme based on a pension agreement provides for the accrual of an old-age pension and a partner pension, the pension scheme shall offer the participant or former participant, with respect to periods of accrual from 1 January 2002, regardless of his marital status, the right in any case with effect from the date on which the old-age pension commences or can commence, to choose, instead of a partner pension, for one of the following modifications of the old-age pension:

a.

a higher old-age pension;

b.

an earlier commencing old-age pension; or

c.

a higher and an earlier commencing old-age pension.

2.

The first paragraph does not apply to the claim to a special partner pension of the former partner.

3.

If the pension agreement does not include a right to the option as referred to in the first paragraph, the participant or former participant has the right to opt for one of these possibilities.

4.

The pension provider shall guarantee that, in exercising the right of choice, no distinction is made between men and women by the determination of a conversion rate or an accrual choice rate.

5.

The pension provider shall ensure, when determining an exchange rate or accrual choice rate, that the requirement of collective actuarial equivalence is met, which entails that the collective actuarial value of the retirement pension, referred to in the first paragraph, which is chosen instead of the partner pension, referred to in the first paragraph, regardless of the date on which the choice is made, is at least equivalent to the collective actuarial value of that partner pension calculated on the same bases.

6.

In the choice referred to in the first or third paragraph, the consent of the partner who is the beneficiary of the partner pension referred to in the first paragraph is required.

7.

Insofar as it concerns pension entitlements that are accrued as a result of a non-contributory continuation of those pension entitlements when applying the first paragraph, the first paragraph shall apply if the right to that non-contributory continuation arose on or after 1 January 2002.

8.

Any clause contrary to this Article is void.

9.

Rules shall be laid down by or pursuant to an order in council (algemene maatregel van bestuur) with respect to the first through fifth paragraphs.

1.

Indien een pensioenregeling op basis van een pensioenovereenkomst voorziet in de opbouw van een ouderdomspensioen en een partnerpensioen, biedt de pensioenregeling aan de deelnemer of gewezen deelnemer met betrekking tot perioden van opbouw vanaf 1 januari 2002, ongeacht zijn burgerlijke staat, het recht in elk geval met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat of kan ingaan, in plaats van partnerpensioen te kiezen voor één van de volgende wijzigingen van het ouderdomspensioen:

a.

een hoger ouderdomspensioen;

b.

een eerder ingaand ouderdomspensioen; of

c.

een hoger en een eerder ingaand ouderdomspensioen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de aanspraak op bijzonder partnerpensioen van de gewezen partner.

3.

Indien er in de pensioenovereenkomst geen recht op de keuzemogelijkheid als bedoeld in het eerste lid is opgenomen heeft de deelnemer of gewezen deelnemer het recht om te kiezen voor één van deze mogelijkheden.

4.

De pensioenuitvoerder waarborgt dat bij gebruikmaking van het keuzerecht geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet.

5.

De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid hetgeen inhoudt dat de collectieve actuariële waarde van het ouderdomspensioen, bedoeld in het eerste lid, dat wordt gekozen in plaats van het partnerpensioen, bedoeld in het eerste lid, ongeacht de datum waarop de keuze wordt gemaakt, ten minste gelijkwaardig is aan de op dezelfde grondslagen berekende collectieve actuariële waarde van dat partnerpensioen.

6.

Bij de keuze, bedoeld in het eerste of derde lid, is de toestemming vereist van de partner die begunstigde is voor het in het eerste lid bedoelde partnerpensioen.

7.

Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002.

8.

Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.

9.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste tot en met het vijfde lid.