Dutch Legislation

Article 5.44

in force

The environmental permit and the project decision · Projectprocedure

Environment and Planning Act · Chapter 5 · Section 5.2 · In force since 2026-06-04

Source
1.

A project decision may be adopted for the execution of a project and for the operation or maintenance thereof. A project decision is adopted by the executive board of the water board or by the provincial executive, or by Our Minister concerned, in accordance with Our Minister of Housing and Spatial Planning.

2.

Agreement as referred to in the first paragraph is not required for a decision to implement a project decision as referred to in Article 5.54 and for a decision to amend a project decision. By regulation of Our Minister of Housing and Spatial Planning, in agreement with Our Minister concerned, categories of projects may be designated for which no agreement is required for the adoption of a project decision. Our Minister of Housing and Spatial Planning, in agreement with Our Minister concerned, may furthermore also determine in other cases that no agreement is required for the adoption of a project decision.

3.

When adopting a project decision by the provincial executive or Our Minister concerned, the boundaries of Article 2.3 shall be observed.

4.

The daily executive board of the water board may only adopt a project decision with a view to the tasks referred to in Article 2.17, paragraph 1, preamble and under a.

1.

Voor het uitvoeren van een project en het in werking hebben of in stand houden daarvan kan een projectbesluit worden vastgesteld. Een projectbesluit wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten of door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

2.

Overeenstemming als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor een besluit tot uitwerking van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.54 en voor een besluit tot wijziging van een projectbesluit. Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kunnen categorieën projecten worden aangewezen waarvoor geen overeenstemming is vereist voor de vaststelling van een projectbesluit. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan daarnaast ook in andere gevallen bepalen dat geen overeenstemming is vereist voor het vaststellen van een projectbesluit.

3.

Bij het vaststellen van een projectbesluit door gedeputeerde staten of Onze Minister die het aangaat, worden de grenzen van artikel 2.3 in acht genomen.

4.

Het dagelijks bestuur van het waterschap kan een projectbesluit alleen vaststellen met het oog op de taken, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a.