Dutch Legislation

Article 5.40

in force

The environmental permit and the project decision · De omgevingsvergunning

Environment and Planning Act · Chapter 5 · Section 5.1 · In force since 2024-01-01

Source
1.

The competent authority may amend the requirements of an environmental permit:

a.

in cases or on grounds to be determined by order in council,

b.

for an activity as referred to in Article 5.31, paragraph 1: if it concerns the removal or limitation of a danger, as referred to in Article 3, paragraph 7, of the Public Administration (Probity Screening) Act (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur), whereby Article 5.31, paragraphs 2 and 3, shall apply mutatis mutandis,

c.

for an activity as referred to in Article 5.3 or 5.4: in cases or on grounds as determined in the water board ordinance or the environmental ordinance, respectively.

2.

In cases other than those referred to in Article 18.10, the competent authority may revoke an environmental permit:

a.

in cases or on grounds to be determined by Order in Council,

b.

if, during a period of one year or a longer term specified in the permit, no activities have been performed using the permit,

c.

upon the petition of the permit holder,

d.

for an activity as referred to in Article 5.31, paragraph 1: in the case and under the conditions referred to in Article 3 of the Public Administration (Probity Screening) Act (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur), whereby Article 5.31, paragraphs 2 and 3, shall apply mutatis mutandis,

e.

for an environmentally harmful activity or a water activity for which coordinated environmental permits have been granted by application of Article 16.7, paragraph 1, opening words and under b: if the environmental permit for the related water activity or the environmentally harmful activity, respectively, has been revoked,

f.

for an activity as referred to in Article 5.3 or 5.4: in cases or on grounds as determined in the water board ordinance or the environmental ordinance, respectively.

1.

Het bevoegd gezag kan de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen:

a.

in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,

b.

voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: als het gaat om het wegnemen of beperken van gevaar, bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is,

c.

voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.

2.

In andere gevallen dan bedoeld in artikel 18.10 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning intrekken:

a.

in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,

b.

als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning,

c.

op verzoek van de vergunninghouder,

d.

voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is,

e.

voor een milieubelastende activiteit of een wateractiviteit waarvoor met toepassing van artikel 16.7, eerste lid, aanhef en onder b, gecoördineerd omgevingsvergunningen zijn verleend: als de omgevingsvergunning voor de samenhangende wateractiviteit respectievelijk de milieubelastende activiteit is ingetrokken,

f.

voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.