Dutch Legislation

Article 5.10

in force

The environmental permit and the project decision · De omgevingsvergunning

Environment and Planning Act · Chapter 5 · Section 5.1 · In force since 2024-01-01

Source
1.

By Order in Council, cases shall be designated for the following activities in which the Provincial Executive decides on the application:

a.

environmental plan activities of provincial interest,

b.

extraction activities:

1°.

in the winter bed of a river belonging to the national waterways (rijkswateren),

2°.

outside the territorial waters,

c.

environmentally hazardous activities:

1°.

with regard to an IPPC installation,

2°.

with regard to another environmentally hazardous installation,

3°.

to which the Seveso Directive applies,

4°.

which have or may have consequences for the groundwater,

d.

restricted area activities regarding:

1°.

regional airports

2°.

local railways

e.

Natura 2000 activities and flora and fauna activities,

f.

activities as referred to in Article 5.4.

2.

In the designation of cases, the limits of Article 2.3, paragraph 2, shall be observed.

3.

By way of derogation from the first paragraph, preamble and under (d), preamble and under 2°, where an area has been designated pursuant to Article 20, third paragraph, of the Passenger Transport Act 2000 (Wet personenvervoer 2000), cases shall be designated by Order in Council in which the executive board of the public body, referred to in the latter paragraph, decides on the application for an environmental permit for a restricted area activity relating to a local railway in that area.

1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin gedeputeerde staten op de aanvraag beslissen:

a.

omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang,

b.

ontgrondingsactiviteiten:

1°.

in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier,

2°.

buiten de rijkswateren,

c.

milieubelastende activiteiten:

1°.

met betrekking tot een ippc-installatie,

2°.

met betrekking tot een andere milieubelastende installatie,

3°.

waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is,

4°.

die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het grondwater,

d.

beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:

1°.

burgerluchthavens van regionale betekenis,

2°.

lokale spoorwegen,

e.

Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten,

f.

activiteiten als bedoeld in artikel 5.4.

2.

Bij de aanwijzing van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, in acht genomen.

3.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 2°, worden, als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aangewezen, bij algemene maatregel van bestuur gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in laatstbedoeld lid, beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg in dat gebied.