Article 23.3
in forceMiscellaneous and final provisions · Experimenteerbepaling
By Order in Council, and with due observance of international legal obligations, it may be deviated from the provisions laid down by or pursuant to:
this Act,
the Energy Act, insofar as this does not affect the revenue from the energy tax referred to in Article 1 of the Environmental Taxes Act,
Housing Act 2014
the Vacant Property Act (Leegstandwet)
the Heat Act
Environmental Management Act.
An experiment shall only be designated if it aims to contribute to the pursuit of the objectives referred to in Article 1.3, preamble and under a, including the improvement of the quality of the physical living environment, the procedures to be followed, or the decision-making process regarding such.
The measure shall in any event determine:
the purpose of the experiment,
what the intended consequences for the physical living environment are,
which administrative body is responsible for the implementation of the experiment,
the duration of the experiment, whereby it applies that the experiment shall not last longer than is necessary for the purpose of the experiment,
from which rules may be deviated,
which deviations are permitted for the cases to be designated in the measure,
for which territory or for which decisions those deviations are permitted,
the maximum duration for which such deviations are permitted, with a maximum of ten years where it concerns environmental values,
which deviations remain permitted after the conclusion of the experiment,
how the evaluation of the experiment is to be conducted and how frequently interim monitoring is to take place with a view to the objectives referred to in the second paragraph and the intended consequences for the physical living environment.
Deviations as referred to in the third paragraph, under (i), are only permitted if they concern deviations that are part of the experiment and when bringing them into compliance with the regulations after the conclusion of the experiment is disproportionate in relation to the interest of the physical living environment to be protected.
If the monitoring and evaluation referred to in the third paragraph, under (j), demonstrate that the experiment does not contribute to the objectives referred to in the second paragraph, the party conducting the experiment shall take measures aimed at achieving those objectives.
The competent administrative authority, referred to in the third paragraph, under (c), may issue instructions for the taking of measures. Article 19.4, third paragraph, shall apply mutatis mutandis.
If the measures to be taken are insufficient, Our Minister of Housing and Spatial Planning may decide to terminate the experiment. Conditions may be attached to that decision.
If the evaluation of an experiment gives cause for the amendment of regulations, Our Minister of Housing and Spatial Planning may, by way of derogation from the measure in which the duration of the experiment was determined, take a decision to extend that duration by a maximum of five years with a view to amending those regulations.
By ministerial regulation of Our Minister of Housing and Spatial Planning, in accordance with Our Minister or Our Ministers concerned, new areas may be designated upon the petition of the municipal council, the general board of a water board, or the provincial council, in addition to the third paragraph, under (g). The provisions determined by the measure pursuant to the third paragraph shall apply mutatis mutandis to the designation of new areas by ministerial regulation.
Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, bij wijze van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:
deze wet,
de Energiewet, voor zover dat geen gevolgen heeft voor de opbrengst van de energiebelasting, bedoeld in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag,
de Huisvestingswet 2014,
de Leegstandwet,
de Warmtewet,
de Wet milieubeheer.
Een experiment wordt alleen aangewezen als dit beoogt bij te dragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder a, waaronder de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de te volgen procedures of de besluitvorming daarover.
Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald:
wat het doel van het experiment is,
wat de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving zijn,
welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de uitvoering van het experiment,
wat de tijdsduur van het experiment is, waarbij geldt dat het experiment niet langer duurt dan nodig is voor het doel van het experiment,
van welke regels kan worden afgeweken,
welke afwijkingen voor bij de maatregel aan te wijzen gevallen zijn toegestaan,
voor welk gebied of voor welke besluiten die afwijkingen zijn toegestaan,
hoe lang die afwijkingen ten hoogste, met een maximum van tien jaar als het gaat om omgevingswaarden, zijn toegestaan,
welke afwijkingen na afloop van het experiment toegestaan blijven,
hoe de evaluatie van het experiment wordt uitgevoerd en hoe vaak tussentijds wordt gemonitord met het oog op de doelen, bedoeld in het tweede lid, en de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving.
Afwijkingen als bedoeld in het derde lid, onder i, zijn alleen toegestaan als het gaat om afwijkingen die onderdeel zijn van het experiment en wanneer het in overeenstemming brengen met de regelgeving na afloop van het experiment onevenredig is in verhouding tot het te beschermen belang van de fysieke leefomgeving.
Als uit de monitoring en evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder j, blijkt dat het experiment niet bijdraagt aan de doelen, bedoeld in het tweede lid, treft degene die het experiment uitvoert maatregelen gericht op het bereiken van die doelen.
Het verantwoordelijke bestuursorgaan, bedoeld in het derde lid, onder c, kan aanwijzingen geven tot het treffen van maatregelen. Artikel 19.4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Als de te nemen maatregelen niet toereikend zijn, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening besluiten om het experiment te beëindigen. Aan dat besluit kunnen voorschriften worden verbonden.
Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van regelgeving, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in afwijking van de maatregel waarbij de tijdsduur van het experiment is bepaald, een besluit nemen om die tijdsduur met ten hoogste vijf jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van die regelgeving.
Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers die het mede aangaat, kunnen, op verzoek van de gemeenteraad, het algemeen bestuur van een waterschap of provinciale staten, nieuwe gebieden worden aangewezen in aanvulling op het derde lid, onder g. Het bij de maatregel op grond van het derde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing van nieuwe gebieden bij ministeriële regeling.