Dutch Legislation

Article 16.66

in force

Procedures · De omgevingsvergunning

Environment and Planning Act · Chapter 16 · Section 16.5 · In force since 2024-01-01

Source
1.

In the application of Division 3.4 of the General Administrative Law Act to the preparation of the decision on the application for an environmental permit, the following subsections and Article 16.67 shall be observed.

2.

If another administrative authority as referred to in Article 16.54, first paragraph, third sentence, is the competent authority, the draft decision, together with the related documents that are reasonably necessary for an assessment of the draft decision, shall also be made available for public inspection in the municipality where the activity or activities will be carried out in whole or in the main.

3.

The reasonable term referred to in Article 3:18, paragraph 2, of the General Administrative Law Act (Algemene wet bestuursrecht) shall be no more than six weeks. The period within which a decision on the application must be made may be extended no more than once. The extension and its duration shall be communicated to the applicant, with a statement of reasons, while observing the eight-week period referred to in Article 3:18, paragraph 2, of the General Administrative Law Act. Article 31, paragraph 4, of the Services Act (Dienstenwet) shall not apply.

4.

If the competent authority, following an application for an environmental permit, is of the opinion that no environmental permit is required, this shall be stated in the notification referred to in Article 3:12 or 3:44 of the General Administrative Law Act.

5.

Where it concerns a draft decision or a decision to grant an environmental permit for an environmental plan activity outside the plan, this shall be stated in the notification referred to in Article 3:12 or 3:44 of the General Administrative Law Act.

1.

Bij de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende leden en artikel 16.67 in acht genomen.

2.

Als een ander bestuursorgaan als bedoeld in artikel 16.54, eerste lid, derde zin, het bevoegd gezag is, ligt het ontwerpbesluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerpbesluit, ook ter inzage in de gemeente waar de activiteit of activiteiten geheel of in hoofdzaak zullen worden verricht.

3.

De in artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde redelijke termijn bedraagt ten hoogste zes weken. De termijn waarbinnen op de aanvraag wordt beslist, kan ten hoogste eenmaal worden verlengd. De verlenging en de duur daarvan worden, met inachtneming van de in artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn van acht weken, gemotiveerd aan de aanvrager meegedeeld. Artikel 31, vierde lid, van de Dienstenwet is niet van toepassing.

4.

Als het bevoegd gezag naar aanleiding van de aanvraag om een omgevingsvergunning van oordeel is dat geen omgevingsvergunning nodig is, wordt dat vermeld in de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 of 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.

Als het gaat om een ontwerpbesluit of besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt dat vermeld in de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 of 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht.