Article 11.16
in forceExpropriation · Onteigeningsakte
An expropriation deed may only be executed if:
the expropriation order has become irrevocable,
the decision for the implementation of which the expropriation is necessary has become irrevocable, and
the provisional compensation, as referred to in Article 15.43, or the agreed compensation that has been recorded in an official report (proces-verbaal), has been paid.
The irrevocability of the expropriation order shall be evidenced by the submission of:
the decision in appeal against a decision on a petition for ratification, or
a statement from the registrar of the Administrative Jurisdiction Division of the Council of State showing that no appeal has been lodged against the decision on the petition for confirmation within the time limit for appeal.
The irrevocability of the decision for the implementation of which the expropriation is required, shall be demonstrated by submitting:
the ruling against that decision by the Administrative Jurisdiction Division of the Council of State,
a statement from the registrar of the court or a statement from the registrar of the Administrative Jurisdiction Division of the Council of State showing that no appeal has been lodged against that decision within the time limit for appeal, or
a statement from the registrar of the Administrative Jurisdiction Division of the Council of State showing that no appeal has been lodged against the judgment on the appeal against the decision within the time limit for appeal.
The payment of the provisional indemnity or the agreed indemnity shall be evidenced by the submission of a proof of payment. Proof of payment shall be deemed to be:
proof that the sum of the provisional compensation or the agreed compensation has been transferred to an account held by the person entitled to receive it at a financial undertaking that is permitted to carry on the business of a bank in the Netherlands pursuant to the Financial Supervision Act (Wet op het financieel toezicht),
a consignment receipt as referred to in Article 6, paragraph 1, of the Consignment of Funds Act, if it is not sufficiently known who is entitled to receive payment or if consignment has taken place pursuant to Articles 15.49 and 15.50.
Een onteigeningsakte kan alleen worden verleden als:
de onteigeningsbeschikking onherroepelijk is,
het besluit ter uitvoering waarvan de onteigening nodig is onherroepelijk is, en
de voorlopige schadeloosstelling, bedoeld in artikel 15.43, of de overeengekomen schadeloosstelling die is opgenomen in een proces-verbaal, is betaald.
De onherroepelijkheid van de onteigeningsbeschikking wordt aangetoond door het overleggen van:
de uitspraak in hoger beroep tegen een uitspraak op een verzoek tot bekrachtiging, of
een verklaring van de griffier van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat tegen de uitspraak op het verzoek tot bekrachtiging binnen de beroepstermijn geen hoger beroep is ingesteld.
De onherroepelijkheid van het besluit ter uitvoering waarvan de onteigening nodig is, wordt aangetoond door het overleggen van:
de uitspraak tegen dat besluit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,
een verklaring van de griffier van de rechtbank of een verklaring van de griffier van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat tegen dat besluit binnen de beroepstermijn geen beroep is ingesteld, of
een verklaring van de griffier van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat tegen de uitspraak op het beroep tegen het besluit binnen de beroepstermijn geen hoger beroep is ingesteld.
De betaling van de voorlopige schadeloosstelling of de overeengekomen schadeloosstelling wordt aangetoond door het overleggen van een betalingsbewijs. Als betalingsbewijs geldt:
een bewijs dat de som van de voorlopige schadeloosstelling of de overeengekomen schadeloosstelling is overgeschreven op een rekening die de tot ontvangst gerechtigde aanhoudt bij een financiële onderneming die in Nederland op grond van de Wet op het financieel toezicht het bedrijf van bank mag uitoefenen,
een consignatiebewijs als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de consignatie van gelden, als niet genoegzaam bekend is wie tot ontvangst gerechtigd is of consignatie heeft plaatsgevonden op grond van de artikelen 15.49 en 15.50.