Article 2.68
in forceRegionale en lokale publieke mediadiensten
A designation may be revoked by the Commissariaat if:
the regional or local public media institution has not provided any media offering that meets the requirements of this Act during a period of one year, and that offering has been disseminated for an uninterrupted period of at least two months; or
the Commissariaat has imposed an administrative sanction as referred to in Title 7.2 on the regional or local public media institution at least twice within a period of one year for a violation of the provisions laid down by or pursuant to this Act or Article 5:20, first paragraph, of the General Administrative Law Act.
The Commissariaat shall only decide on revocation pursuant to the first paragraph, point (a), after having provided the provincial executive (gedeputeerde staten) or the municipal executive (college van burgemeester en wethouders) of the relevant province or municipality, respectively, with the opportunity to submit their views within a reasonable period to be determined by the Commissariaat.
The failure to submit a view within the prescribed period shall not preclude the Commissariaat from taking a decision.
Een aanwijzing kan door het Commissariaat worden ingetrokken als:
de regionale of lokale publieke media-instelling in een periode van een jaar geen media-aanbod dat voldoet aan de eisen van deze wet heeft verzorgd en dat aanbod gedurende een ononderbroken periode van ten minste twee maanden is verspreid; of
het Commissariaat aan de regionale of lokale publieke media-instelling binnen een periode van een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd voor overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Het Commissariaat beslist pas over intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a, nadat hij gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende provincie of gemeente in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door het Commissariaat te stellen redelijke termijn hun zienswijze te geven.
Het uitblijven van een zienswijze binnen de gestelde termijn staat aan het nemen van een beslissing door het Commissariaat niet in de weg.