Article 48
in forceLiability · Liability
Heirs are not liable beyond the amount of their respective share in the inheritance, increased by the amount of what has been bequeathed to them by the testator and increased by all that they are deemed to have acquired from the testator by reason of death under inheritance law pursuant to Article 12, paragraph 1, of the Successiewet 1956 — all this at the fair market value at the time of the testator's death — for:
supplementary and additional tax assessments which are established after the death of the taxpayer;
amounts which, after the death of the person who has been held jointly and severally liable, are determined in accordance with Article 49.
By way of derogation from the first paragraph, point (b), heirs shall not be liable for amounts for which the tax collector holds the deceased liable pursuant to Article 36 or 36b after their death.
Paragraph 1 does not apply to:
gifts as referred to in Article 33 of the Succession Act 1956, items 1°, 2°, 3°, 8°, 9°, 11° and 12° and, insofar as it concerns a gift to which the increased exemption applies, 5° and 7°;
gifts for which the gift tax has been remitted pursuant to Article 67 of the Succession Act 1956 (Successiewet 1956).
Erfgenamen zijn niet verder aansprakelijk dan ieder tot het beloop van zijn erfdeel vermeerderd met het bedrag van hetgeen hem door de erflater is gelegateerd en vermeerderd met al wat hij van de erflater op grond van artikel 12, eerste lid, van de Successiewet 1956 krachtens erfrecht door het overlijden geacht wordt te hebben verkregen - één en ander naar de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van overlijden van de erflater - voor:
navorderings- en naheffingsaanslagen die na het overlijden van de belastingschuldige worden vastgesteld;
bedragen die na het overlijden van de hoofdelijk aansprakelijk gestelde worden vastgesteld op de voet van artikel 49.
In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel b, zijn erfgenamen niet aansprakelijk voor bedragen waarvoor de ontvanger de erflater op grond van artikel 36 of 36b na diens overlijden aansprakelijk stelt.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
schenkingen als bedoeld in artikel 33 van de Successiewet 1956, onderdelen 1°, 2°, 3°, 8°, 9°, 11° en 12° en, voor zover het een schenking betreft waarvoor de verhoogde vrijstelling geldt, 5° en 7°;
schenkingen waarvan de schenkbelasting is kwijtgescholden op grond van artikel 67 van de Successiewet 1956.