Article 5b
in forceAlgemene bepalingen
A public benefit organisation (algemeen nut beogende instelling) is an entity – not being a company with capital divided into shares, a cooperative, a mutual insurance society or another body in which certificates of participation may be issued – that:
has as its exclusive or almost exclusive objective the public interest;
makes her data publicly available by electronic means via the internet;
complies with the conditions to be laid down by ministerial regulation; and
designated as such by:
the inspector in the event that the institution is established in the Kingdom, in another Member State of the European Union or in a state designated by ministerial regulation; or
Our Minister, in the event that the institution is not established in the Kingdom, another Member State of the European Union, or a state designated by ministerial regulation, in respect of which additional conditions may be imposed.
Public benefit organisations (algemeen nut beogende instellingen) are, in any event:
the State, the provinces, the municipalities and the water boards in the Netherlands, as well as comparable bodies in another Member State of the European Union or in another state that is a party to the Agreement on the European Economic Area;
the countries Aruba, Curaçao and Sint Maarten, the public bodies Bonaire, Sint Eustatius and Saba, as well as the municipalities, water boards and comparable public law bodies in those countries or public bodies.
For the purposes of this article, the following shall be considered as general interest:
well-being;
Culture
education, science and research;
protection of nature and the environment, including the promotion of sustainability;
healthcare;
youth and elderly care;
development cooperation
animal welfare;
religion, philosophy of life and spirituality;
the promotion of the democratic constitutional order;
public housing;
a combination of the aforementioned objectives, as well as
providing financial or other support to an institution serving a public interest (algemeen nut beogende instelling).
An institution pursuing a general benefit, which focuses exclusively or almost exclusively on culture, may request to also be designated as a cultural institution.
An institution that carries out activities aimed at providing public housing as referred to in the third paragraph, point k, can only be designated as an institution for general benefit, if it has been admitted by Royal Decree pursuant to Article 19 of the Housing Act (Woningwet) as an institution that operates in the interest of public housing.
Designation as an institution for general benefit or as a cultural institution shall take place upon the petition of the institution. The inspector shall decide on the petition by way of an appealable decision, where appropriate subject to conditions to be imposed by him. By way of derogation from the first sentence, the inspector may designate a category of institutions or a group of affiliated institutions as institutions as referred to in the first paragraph by means of a single appealable decision, even without a petition to that effect having been submitted by those institutions.
An institution as referred to in the first paragraph shall no longer be designated as such by the inspector by means of an appealable decision, effective from the time at which this institution no longer exclusively or almost exclusively has a character serving the public interest, no longer complies with the conditions set by ministerial regulation, or is no longer established as indicated in the first paragraph. An institution as referred to in the fourth paragraph shall no longer be designated as such by the inspector by means of an appealable decision, effective from the time at which this institution no longer focuses exclusively or almost exclusively on culture. The time of revocation may precede the date of the decision.
An institution as referred to in the first paragraph shall also not, or no longer, be designated by the inspector as an institution for general benefit if the institution, a director of that institution, a person who effectively manages that institution, or a person who determines the policy of that institution has been irrevocably convicted by a Dutch court for the intentional commission of a criminal offence as referred to in Article 67, first paragraph, of the Code of Criminal Procedure and Articles 137c, first paragraph, 137d, first paragraph, and 266 of the Criminal Code, provided that:
the criminal offence was committed in the capacity of director, de facto manager, or key person (gezichtsbepalend persoon) of the institution;
less than four calendar years have elapsed since the conviction, and
the criminal offence, given its nature or its connection with other criminal offences committed by the institution pursuing a general interest or the aforementioned persons, constitutes a serious breach of the legal order.
An institution as referred to in the first paragraph shall also not, or no longer, be designated by the inspector as an institution for general benefit if the inspector has reasonable doubt regarding the integrity of the institution, a director of that institution, a person who effectively manages that institution, or a person who determines the policy of that institution, and that institution, or person respectively, despite a request to that effect from the inspector, fails to submit a certificate of conduct (verklaring omtrent het gedrag) as referred to in Article 28 of the Judicial and Criminal Data Act within a period of sixteen weeks after such request has been made.
Rules shall be laid down by ministerial regulation regarding the data referred to in the first paragraph, point (b), which are to be made public, as well as regarding the manner in which such data are made public via the internet, whereby a mandatory standard form shall be used.
For the application of the fourth and the sixth up to and including the ninth paragraph, further rules may be laid down by ministerial regulation.
Een algemeen nut beogende instelling is een instelling – niet zijnde een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden uitgegeven – die:
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt;
haar gegevens op elektronische wijze via internet openbaar maakt;
voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; en
als zodanig is aangemerkt door:
de inspecteur ingeval de instelling is gevestigd in het Koninkrijk, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat; of
Onze Minister ingeval de instelling niet is gevestigd in het Koninkrijk, een andere lidstaat van de Europese Unie en een bij ministeriële regeling aangewezen staat waarbij aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld.
Algemeen nut beogende instellingen zijn in ieder geval:
de Staat, de provincies, de gemeenten en de waterschappen in Nederland alsmede daarmee vergelijkbare lichamen in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alsmede de gemeenten, waterschappen en daarmee vergelijkbare publiekrechtelijke lichamen in die landen of openbare lichamen.
Als algemeen nut in de zin van dit artikel wordt beschouwd:
welzijn;
cultuur;
onderwijs, wetenschap en onderzoek;
bescherming van natuur en milieu, daaronder begrepen bevordering van duurzaamheid;
gezondheidszorg;
jeugd- en ouderenzorg;
ontwikkelingssamenwerking;
dierenwelzijn;
religie, levensbeschouwing en spiritualiteit;
de bevordering van de democratische rechtsorde;
volkshuisvesting;
een combinatie van de bovengenoemde doelen, alsmede
het financieel of op andere wijze ondersteunen van een algemeen nut beogende instelling.
Een algemeen nut beogende instelling die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richt op cultuur, kan verzoeken tevens te worden aangemerkt als culturele instelling.
Een instelling die werkzaamheden verricht die gericht zijn op het bieden van volkshuisvesting als bedoeld in het derde lid, onderdeel k, kan slechts worden aangemerkt als algemeen nut beogende instelling, indien zij op de voet van artikel 19 van de Woningwet bij koninklijk besluit is toegelaten als instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam is.
Het aanmerken als een algemeen nut beogende instelling of als culturele instelling geschiedt op verzoek van de instelling. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking eventueel onder door hem te stellen voorwaarden. In afwijking van de eerste volzin kan de inspecteur een categorie instellingen dan wel een groep met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare beschikking aanmerken als instellingen als bedoeld in het eerste lid, ook zonder dat een daartoe strekkend verzoek is gedaan door die instellingen.
Een instelling als bedoeld in het eerste lid, wordt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking niet meer als zodanig aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop deze instelling niet langer uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een algemeen nut beogend karakter heeft, niet meer voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden dan wel niet meer is gevestigd als aangegeven in het eerste lid. Een instelling als bedoeld in het vierde lid wordt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking niet meer als zodanig aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop deze instelling zich niet langer uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richt op cultuur. Het tijdstip van intrekking kan liggen voor de datum van de dagtekening van de beschikking.
Een instelling als bedoeld in het eerste lid wordt eveneens door de inspecteur niet, of niet langer, als algemeen nut beogende instelling aangemerkt indien de instelling, een bestuurder van die instelling, een persoon die feitelijk leiding geeft aan die instelling of een voor die instelling gezichtsbepalende persoon door een Nederlandse rechter onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 137c, eerste lid, 137d, eerste lid, en 266 van het Wetboek van Strafrecht, mits:
het misdrijf is gepleegd in de hoedanigheid van bestuurder, feitelijk leidinggevende of gezichtsbepalend persoon van de instelling;
nog geen vier kalenderjaren zijn verstreken sinds de veroordeling, en
het misdrijf gezien zijn aard of de samenhang met andere door de algemeen nut beogende instelling of genoemde personen begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.
Een instelling als bedoeld in het eerste lid wordt eveneens door de inspecteur niet, of niet langer, als algemeen nut beogende instelling aangemerkt indien de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling, een bestuurder van die instelling, een persoon die feitelijk leiding geeft aan die instelling of een voor die instelling gezichtsbepalende persoon, en die instelling, onderscheidenlijk persoon, ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur, niet binnen een termijn van zestien weken nadat dit verzoek is gedaan een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens overlegt.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, die openbaar worden gemaakt, alsmede met betrekking tot de wijze waarop deze gegevens via internet openbaar worden gemaakt, waarbij een verplicht standaardformulier wordt gebruikt.
Voor de toepassing van het vierde en het zesde tot en met negende lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.