Dutch Legislation

Article 7

in force

Algemene bepalingen

Income-Dependent Schemes Act (Awir) · Chapter 1 · In force since 2026-01-01

Source
1.

For the purpose of determining the financial capacity for the application of an income-dependent scheme, the assessment income, as referred to in Article 8, of the interested party and that of their partner shall be taken into account.

2.

If an income-dependent scheme stipulates that, in addition to the financial capacity of the interested party and their spouse, the financial capacity of co-residents is also relevant for the assessment of the entitlement to or the determination of the amount of a benefit, the assessment income of the co-residents shall also be taken into account.

3.

If, under an income-related scheme, the entitlement to a benefit is made partly dependent on assets, no entitlement to a benefit exists if the yield basis (rendementsgrondslag), as referred to in Article 5.3 of the Income Tax Act 2001, of the interested party at the beginning of the calculation year exceeds € 38,479, or would exceed this amount if the exemption referred to in Article 5.13 of the Income Tax Act 2001 were not taken into account. If the interested party has the same partner for the entire calculation year, no entitlement to a benefit exists if the interested party and his partner have a joint yield basis as referred to in Article 5.3 of the Income Tax Act 2001 at the beginning of the calculation year of more than € 76,958. Article 10.1, paragraph 1, of the Income Tax Act 2001 applies mutatis mutandis to the amounts mentioned in this paragraph.

4.

If, under an income-dependent scheme, the entitlement to a contribution is made partly dependent on the assets of co-residents, there shall also be no entitlement to a contribution if the yield basis of a co-resident at the beginning of the calculation year exceeds € 38,479, or would exceed this amount if the exemption referred to in Article 5.13 of the Income Tax Act 2001 were not taken into account. The provisions of the first and second sentences apply only with respect to those whose co-residency has lasted for the entire calculation year. Article 10.1, paragraph 1, of the Income Tax Act 2001 applies mutatis mutandis to the amounts mentioned in this paragraph.

5.

For the application of the third and fourth paragraphs, as well as for the application of provisions in income-dependent regulations that refer to Article 5.3 of the Income Tax Act 2001 (Wet inkomstenbelasting 2001), assets and liabilities that form the basis for income not taxable in the Netherlands shall be included in the amount of the yield basis (rendementsgrondslag).

6.

The assessment income of a co-resident who is a first-degree relative by blood or affinity in the descending line or a foster child of the interested party, of their partner, or of a co-resident, or is a person for whom the interested party, their partner, or a co-resident has received a foster care allowance in any year pursuant to the Youth Care Act (Wet op de jeugdzorg) or the Youth Act (Jeugdwet), or for whom the interested party, their partner, or a co-resident has received child benefit in any year pursuant to the General Child Benefit Act (Algemene Kinderbijslagwet), and who has not reached the age of 23 at the commencement of the calculation year, shall, for the application of the second paragraph, only be taken into account insofar as it exceeds € 6,218.

7.

With regard to the amount referred to in the sixth paragraph, Articles 10.1 and 10.2 of the Income Tax Act 2001 (Wet inkomstenbelasting 2001) shall apply mutatis mutandis.

1.

Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

2.

Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen.

3.

Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Indien de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming indien de belanghebbende en zijn partner aan het begin van het berekeningsjaar een gezamenlijke rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 hebben van meer dan € 76.958. Artikel 10.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, genoemd in dit lid.

4.

Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen van medebewoners, bestaat tevens geen aanspraak op een tegemoetkoming indien de rendementsgrondslag van een medebewoner aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het bepaalde in de eerste en tweede volzin geldt alleen ten aanzien van degenen van wie het medebewonerschap het gehele berekeningsjaar heeft geduurd. Artikel 10.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, genoemd in dit lid.

5.

Voor de toepassing van het derde en vierde lid alsmede voor de toepassing van bepalingen in inkomensafhankelijke regelingen die verwijzen naar artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, worden bezittingen en schulden die ten grondslag liggen aan het niet in Nederland belastbare inkomen, begrepen in het bedrag aan rendementsgrondslag.

6.

Het toetsingsinkomen van een medebewoner die een eerstegraads bloed- of aanverwant in de neergaande lijn of een pleegkind is van de belanghebbende, van zijn partner, of van een medebewoner, of een persoon is voor wie de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner in enig jaar een pleegvergoeding heeft ontvangen op grond van de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet dan wel voor wie de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner in enig jaar kinderbijslag heeft ontvangen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet, en die bij de aanvang van het berekeningsjaar de leeftijd van 23 jaar niet heeft bereikt, wordt voor de toepassing van het tweede lid slechts in aanmerking genomen voor zover het meer bedraagt dan € 6.218.

7.

Met betrekking tot het bedrag vermeld in het zesde lid zijn de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.