Article 3
in forceAlgemene bepalingen
A partner of the interested party is the person who is designated as a partner pursuant to Article 5a, paragraphs 1 and 3 through 7, of the General State Taxes Act (Algemene wet inzake rijksbelastingen). Article 2, paragraph 6, of the General State Taxes Act (Algemene wet inzake rijksbelastingen) applies mutatis mutandis.
In addition to the first paragraph, for the application of this Act and the provisions based thereon, the term partner shall also include the person who is registered as a resident at the same residential address in the Personal Records Database (basisregistratie personen) as the interested party and:
from whose relationship with the interested party a child has been born;
who has acknowledged a child of the interested party, or whose child has been acknowledged by the interested party;
who has been registered as the partner of the interested party for the application of a pension scheme;
who, together with the interested party, occupies a dwelling which is available to them as their principal residence on a basis other than a temporary one by virtue of ownership, including economic ownership, or by virtue of a right of membership in a cooperative;
who, like the interested party, is of full age, and at whose residential address a minor child of at least one of them is also registered, except in the event that the interested party submits a petition not to be designated as a partner of the person referred to in the preamble of this paragraph, with which petition the interested party demonstrates, by means of a written lease agreement, to which further conditions may be attached by ministerial regulation, that one of them rents a portion of the dwelling from the other on commercial grounds or that both rent their own portion of the dwelling from a third party on commercial grounds; or
who was already a partner of the interested party in the calendar year preceding the calculation year.
A person who, pursuant to the first or second paragraph, is regarded as a partner for a part of the calculation year, shall also be regarded as a partner from the day on which the partnership arose pursuant to the first or second paragraph for the subsequent periods of the calculation year, insofar as they are registered in the personal records database (basisregistratie personen) at the same residential address as the interested party during those periods.
An interested party may have only one partner at any given time. If, at that time, the interested party has a partner pursuant to the first paragraph, the second paragraph shall not apply. If, at that time, no person has been designated as a partner pursuant to the first paragraph, the person who is designated as a partner pursuant to the category first mentioned in the second paragraph shall be deemed the partner.
By way of derogation from Article 5a of the General State Taxes Act and the second paragraph, the following shall not be regarded as a partner:
a blood relative or relative by affinity in the first degree of the interested party;
a person for whom the interested party has received a foster care allowance in any year pursuant to the Youth Care Act (Wet op de jeugdzorg) or the Youth Act (Jeugdwet), or for whom the interested party has received child benefit in any year pursuant to the General Child Benefit Act (Algemene Kinderbijslagwet), provided that the interested party and this person have submitted a joint petition in any year to the Benefits Office (Dienst Toeslagen) not to be regarded as partners.
Persons who were partners pursuant to the second paragraph shall continue to be regarded as partners after the registration at the same residential address referred to in that part is no longer possible as a result of admission to a nursing home or residential care home due to medical reasons or old age of one of them, for as long as, following the end of that registration at the same residential address, no third person is regarded as a partner in respect of either of them. The first sentence shall apply mutatis mutandis to persons who are partners pursuant to the first paragraph. Upon the petition of at least one of the partners referred to in the first or second sentence, they shall no longer be regarded as partners for the duration of the admission of one of them to the nursing home or residential care home. Further rules may be established by ministerial regulation for the implementation of this paragraph.
For the application of this Act and the provisions based thereon, two unmarried persons who are or have been designated as each other's partners pursuant to the application of the preceding paragraphs shall, for the determination of affinity, be treated as equivalent to spouses or former spouses, respectively.
The term 'partner' does not include a person who is considered a partner solely pursuant to the second paragraph, point (e), and who resides in an accommodation of an institution that provides shelter as referred to in Article 1.1.1 of the Social Support Act 2015 (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015), provided that the interested party submits a copy of the decisions, as referred to in Article 2.3.5, second paragraph, of that Act, regarding the provision of a customized service for him and for the person referred to in the second paragraph, point (e), for the purpose of shelter.
A relative of the interested party shall be considered a relative as referred to in the fifth paragraph, point (a), exclusively in the event that the interested party and the relative have submitted a joint petition to the Benefits Agency (Dienst Toeslagen) in any given year to not be considered as partners.
Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a, eerste lid en derde tot en met zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en:
uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren;
die een kind van de belanghebbende heeft erkend dan wel van wie een kind door de belanghebbende is erkend;
die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belanghebbende is aangemeld;
die samen met de belanghebbende een woning heeft, die hun anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom, waaronder begrepen economisch eigendom, of op grond van een recht van lidmaatschap van een coöperatie;
die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende een verzoek indient om niet als partner te worden aangemerkt van degene, bedoeld in de aanhef van dit lid, bij welk verzoek de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander of dat beiden op zakelijke gronden een eigen gedeelte van de woning huren van een derde; of
die in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belanghebbende was.
Degene die ingevolge het eerste of tweede lid voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, wordt vanaf de dag waarop het partnerschap ingevolge het eerste of tweede lid is ontstaan, ook als partner aangemerkt in de daaropvolgende perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende.
Een belanghebbende kan op enig moment slechts één partner hebben. Indien de belanghebbende op dat moment op grond van het eerste lid een partner heeft, blijft het tweede lid buiten toepassing. Indien op dat moment geen persoon op grond van het eerste lid als partner is aangemerkt, geldt als partner degene die op grond van de in het tweede lid eerstgenoemde categorie als partner wordt aangemerkt.
In afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het tweede lid wordt niet als partner aangemerkt:
een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de belanghebbende;
een persoon voor wie de belanghebbende in enig jaar een pleegvergoeding heeft ontvangen op grond van de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet, dan wel voor wie de belanghebbende in enig jaar kinderbijslag heeft ontvangen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet, indien de belanghebbende en deze persoon in enig jaar een gezamenlijk verzoek hebben ingediend bij de Dienst Toeslagen om niet als partners te worden aangemerkt.
Personen die partners waren op grond van het tweede lid, blijven als partners aangemerkt nadat de in dat onderdeel bedoelde inschrijving op hetzelfde woonadres niet langer mogelijk is als gevolg van opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom van een van hen, zolang na het einde van die inschrijving op hetzelfde woonadres ten aanzien van geen van beiden een derde persoon als partner wordt aangemerkt. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op personen die partners zijn op grond van het eerste lid. Op verzoek van ten minste een van de partners, bedoeld in de eerste of tweede zin, worden zij niet meer als partners aangemerkt voor de duur van de opname van een van hen in het verpleeghuis of het verzorgingshuis. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit lid.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden twee ongehuwde personen die met toepassing van de vorige leden als elkaars partners worden aangemerkt of aangemerkt zijn geweest, voor de bepaling van aanverwantschap gelijkgesteld met gehuwden, onderscheidenlijk voormalige gehuwden.
Onder partner wordt niet verstaan degene die uitsluitend ingevolge het tweede lid, onderdeel e, als partner wordt aangemerkt en woont in een accommodatie van een instelling die opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 biedt, mits de belanghebbende een afschrift van de beschikkingen, bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van die wet, tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor hem en voor de persoon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, ten behoeve van opvang overlegt.
Een aanverwant van de belanghebbende wordt uitsluitend als aanverwant als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, aangemerkt ingeval de belanghebbende en de aanverwant in enig jaar een gezamenlijk verzoek bij de Dienst Toeslagen hebben ingediend om niet als partners te worden aangemerkt.