Dutch Legislation

Article 4:8

in force

General obligations · § Female employees

Working Hours Act (Arbeidstijdenwet) · Chapter 4 · § 4.3 · In force since 1996-01-01

Source
1.

A female employee who is breastfeeding a child has the right, provided she has notified the employer thereof, to interrupt her work during the first nine months of that child's life in order to breastfeed her child or to express breast milk in the necessary rest and seclusion. The employer shall provide her with the opportunity to do so and shall, where necessary, make available a suitable, lockable private room.

2.

The interruptions referred to in the first paragraph shall take place as often and for as long as necessary, but shall collectively amount to no more than one-fourth of the working time per shift. The determination of the timing and the duration of the interruptions shall be made by the female employee concerned after consultation with the employer.

3.

The duration of the interruptions referred to in this Article shall, for the purposes of this Act and the provisions based thereon, be considered as working time, in respect of which the female employee shall retain her entitlement to the wages established by reference to a period of time.

4.

Any clause deviating from this Article to the detriment of the female employee is void.

1.

Een vrouwelijke werknemer, die een borstkind voedt, heeft, indien zij de werkgever hiervan in kennis heeft gesteld, gedurende de eerste 9 levensmaanden van dat kind het recht de arbeid te onderbreken ten einde in de nodige rust en afzondering haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven. De werkgever biedt haar daartoe de gelegenheid en stelt, waar nodig, een geschikte af te sluiten besloten ruimte ter beschikking.

2.

De onderbrekingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats zo vaak en zo lang als nodig is doch bedragen gezamenlijk ten hoogste een vierde van de arbeidstijd per dienst. De vaststelling van het tijdstip en de duur van de onderbrekingen vindt plaats door de betrokken vrouwelijke werknemer na overleg met de werkgever.

3.

De duur van de onderbrekingen, bedoeld in dit artikel, gelden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als arbeidstijd, waarover de vrouwelijke werknemer haar aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon behoudt.

4.

Elk beding waarbij ten nadele van de vrouwelijke werknemer wordt afgeweken van dit artikel, is nietig.