Article 29
in forceSupervision and official orders
An employee is authorised to interrupt the work and to continue the interruption, if and as long as in his reasonable judgment a serious danger to persons as referred to in Article 28 is present and in his reasonable judgment the danger is so imminent that a supervisor cannot intervene in a timely manner. For the duration of the interruption, the employee shall retain his entitlement to the wages established by time period. The employee shall not be disadvantaged in his position in the company or in the establishment as a result of the interruption of work.
The person who asserts that the employee, on the basis of the facts on which he relies, could not have assumed according to his reasonable judgment the presence of an immediate threat of danger as referred to in the first paragraph, must prove this.
If the interruption of work occurs without the knowledge of the employer or, as the case may be, the person in a leadership position involved in the work, the employee must report the interruption to them immediately.
The interruption of work shall be notified as soon as possible to the designated supervisor, who shall issue an order pursuant to Article 28, paragraph 1, or declare, if necessary subject to the imposition of a requirement as referred to in Article 27, that the work may be performed. By the decision of the designated supervisor, the authority of the employee to continue the interruption of work shall terminate.
Een werknemer is bevoegd het werk te onderbreken en de onderbreking voort te zetten, indien en zolang naar zijn redelijk oordeel ernstig gevaar voor personen als bedoeld in artikel 28 aanwezig is en naar zijn redelijk oordeel het gevaar zo onmiddellijk dreigt dat een toezichthouder niet tijdig kan optreden. Voor de duur van de onderbreking behoudt de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon. De werknemer mag als gevolg van de werkonderbreking niet worden benadeeld in zijn positie in het bedrijf of in de inrichting.
Degene die stelt dat de werknemer de aanwezigheid van onmiddellijk dreigend gevaar als bedoeld in het eerste lid op grond van de feiten waarop hij zich beroept, niet naar zijn redelijk oordeel mocht aannemen, moet dit bewijzen.
Indien de onderbreking van het werk geschiedt buiten weten van de werkgever onderscheidenlijk de bij de arbeid betrokken leidinggevende persoon, moet de werknemer de onderbreking terstond bij deze melden.
De onderbreking van het werk wordt zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de daartoe aangewezen toezichthouder, die een bevel geeft krachtens artikel 28, eerste lid, of verklaart, zo nodig onder het stellen van een eis als bedoeld in artikel 27, dat de arbeid kan worden verricht. Door de beschikking van de daartoe aangewezen toezichthouder eindigt de bevoegdheid van de werknemer de werkonderbreking voort te zetten.