
Het Nederlandse recht en de mens van de eenentwintigste eeuw
1. De aanname onder ons recht
De veiligste beroepsgroep van de afgelopen twee decennia is nu de meest blootgestelde. Wie tien jaar geleden ontwikkelaar werd, kocht daarmee bestaanszekerheid. Diezelfde beroepsgroep is inmiddels het eerste grootschalige voorbeeld van cognitief werk dat door machines wordt overgenomen. Dat is opmerkelijk, maar het is niet het interessantste deel. Het interessantste deel is wat het blootlegt over de constructie van ons recht.
Het Nederlandse recht kent namelijk nauwelijks personen. Het kent functies. De rechtspositie van een mens – als werknemer, als vreemdeling, als uitkeringsgerechtigde – hangt vrijwel steeds aan de functie die hij vervult, aan de arbeid die hij levert, aan het loon dat die arbeid opbrengt. Dat is verdedigbaar zolang functies stabiel genoeg zijn om er een leven aan op te hangen. Precies die aanname staat nu ter discussie.
Deze bijdrage verkent vier vragen die daaruit volgen en die het komende decennium de Nederlandse praktijk zullen bepalen. Wat gebeurt er juridisch wanneer de functie verdampt? Welke rechtspositie heeft degene die zijn eigen loopbaan samenstelt in plaats van een beroep uit te oefenen? Bestaat er een inkomen zonder functie? En beschermt ons recht, naast het lichaam en de gegevens van de mens, ook zijn vermogen om zelf te denken?
2. Hoe diep de functie in het recht zit
Arbeidsrecht. Artikel 7:610 BW verbindt drie elementen: arbeid, loon en “in dienst van”. Voorwerp van de overeenkomst is de arbeid, niet de persoon; de gezagsverhouding veronderstelt dat een ander bepaalt wat je doet.
Ontslagrecht. Bij bedrijfseconomisch ontslag (art. 7:669 lid 3 sub a BW) rekent het afspiegelingsbeginsel per leeftijdsgroep binnen een categorie uitwisselbare functies (art. 11 Ontslagregeling). Wanneer twee mensen uitwisselbaar zijn, staat in artikel 13 Ontslagregeling: als hun functies vergelijkbaar zijn naar inhoud, vereiste kennis, vaardigheden en competenties en naar aard, en gelijkwaardig naar niveau en beloning. De Hoge Raad heeft die opsomming limitatief geacht. De wet telt mensen dus als exemplaren van een functieklasse. Niet als personen die vergelijkbaar zijn.
Migratierecht. Hier is de codificatie het scherpst. De kennismigrant (art. 3.30a Vb 2000) wordt toegelaten omdat – en zolang – de functie een bepaald bedrag oplevert: per 1 januari 2026 € 5.942 bruto per maand voor de kennismigrant van 30 jaar en ouder, € 4.357 onder de 30, € 3.122 bij het verlaagde criterium (art. 2.1 lid 1 sub a Besluit uitvoering Wav 2022). Het salaris is de wettelijke proxy voor de waarde van de mens. Valt de functie weg, dan biedt artikel 19 jo. 18 lid 1 sub f Vw 2000 de grond voor intrekking; in de IND-praktijk resteert een zoektermijn van drie maanden om een nieuwe erkend referent te vinden. Elders in de Wet arbeid vreemdelingen staat het spiegelbeeld: de tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd als er prioriteitgenietend aanbod is (art. 8 Wav). De vreemdeling wordt toegelaten als restfunctie.
Sociale zekerheid. De WW bouwt op arbeidsverleden; de Participatiewet stelt arbeids- en re-integratieverplichtingen.
De mens als functie is dus geen ongeluk en geen cultureel verval. Het is een wetgevingskeuze, gemaakt in een tijd waarin het beroep een levenslange constante was.
3. De functie verdampt – en het recht loopt achter
(a) Het herplaatsingsvereiste
Artikel 7:669 lid 1 BW eist herplaatsing “al dan niet met behulp van scholing” in “een andere passende functie”. De Hoge Raad heeft dat geen resultaatsverplichting genoemd, maar een kwestie van wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd (HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64; eerder HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182, Decor). De redelijke termijn is gelijk aan de opzegtermijn (art. 10 Ontslagregeling). Dat kader veronderstelt twee dingen: dat er elders in de organisatie nog een functie is, en dat een paar maanden scholing het gat kunnen overbruggen. Beide aannames sneuvelen wanneer een hele functiefamilie tegelijk verdwijnt. Verwacht procedures over de reikwijdte van “scholing”, over afspiegeling wanneer de categorie uitwisselbare functies zelf verdampt, en over de h-grond als uitweg.
(b) De scholingsplicht
Artikel 7:611a lid 1 BW bevat een opvallende zinsnede: de werkgever moet scholing mogelijk maken die noodzakelijk is voor de functie én, voor zover dat redelijkerwijs kan worden verlangd, voor voortzetting van de arbeidsovereenkomst indien de functie komt te vervallen. Sinds 1 augustus 2022 (implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1152) is verplichte scholing kosteloos, geldt zij als arbeidstijd en is een studiekostenbeding daarvoor nietig (art. 7:611a lid 2-4 BW). Maar het ankerpunt blijft de functie. Niets verplicht een werkgever een mens uit de verdwijnende functie te scholen naar een toekomst die buiten het bedrijf ligt. En de staat? Het STAP-budget is per 1 januari 2024 afgeschaft; wat rest is het levenlanglerenkrediet en de sectorale O&O-fondsen. Precies op het moment dat een individueel recht op ontwikkeling existentieel werd, trok de overheid het in. Dat is misschien wel het meest onderbelichte juridische feit van dit decennium.
(c) De AI-verordening – en het gat in de tijd
Bijlage III bij Verordening (EU) 2024/1689 merkt AI voor werving, taaktoewijzing, monitoring, beoordeling, bevordering en beëindiging aan als hoog risico (punt 4), evenals AI in onderwijs en examinering (punt 3) en in migratie-, asiel- en grensbeheer (punt 7). Die verplichtingen zouden gelden vanaf 2 augustus 2026. Via de Digitale Omnibus inzake AI (voorstel van 19 november 2025; voorlopig akkoord mei 2026; het Europees Parlement stemde op 16 juni 2026 in) verschuiven zij naar 2 december 2027 voor autonome hoogrisicosystemen en 2 augustus 2028 voor in producten geïntegreerde systemen. Bovendien is de grandfathering verruimd: bestaande systemen blijven buiten schot zolang zij niet wezenlijk worden gewijzigd. De EDPB en de EDPS hebben daar in hun gezamenlijke advies scherp voor gewaarschuwd. Het praktische gevolg: juist de jaren waarin de door AI gedreven reorganisatie wordt uitgevoerd, zijn de jaren zonder hoogrisicoregime.
Wat wél geldt: artikel 5 (verboden praktijken, sinds 2 februari 2025), waaronder het verbod op emotieherkenning op de werkplek en in het onderwijs (art. 5 lid 1 sub f) en op manipulatieve technieken en uitbuiting van kwetsbaarheden; artikel 4 (AI-geletterdheid); en de transparantieverplichtingen van artikel 50 vanaf augustus 2026.
En bovenal: de AVG blijft onverkort van toepassing. Artikel 22 AVG na SCHUFA (HvJ EU 7 december 2023, C-634/21): de score zelf is het besluit wanneer die in de praktijk de uitkomst bepaalt. En artikel 15 lid 1 sub h AVG na Dun & Bradstreet (HvJ EU 27 februari 2025, C-203/22): de betrokkene heeft recht op nuttige informatie over de onderliggende logica, en een bedrijfsgeheim is geen absoluut schild – de rechter beoordeelt zelf. Voor de ontslagpraktijk betekent dit: de werkgever die een AI-systeem laat bepalen wie boventallig is, is vandaag al gebonden — via de AVG, niet via de AI-verordening. En de “mens in de lus” die alleen tekent, biedt na SCHUFA geen dekking.
(d) De Wet platformwerk
Hoofdstuk III van Richtlijn (EU) 2024/2831 (algoritmisch beheer) is het eerste EU-instrument dat de werkende rechten geeft tégen het algoritme als zodanig: transparantie, beperkingen op verwerking (emotionele toestand, privégesprekken, biometrie), menselijk toezicht, menselijke toetsing van ingrijpende besluiten en een recht op uitleg – en die rechten gelden óók voor de echte zelfstandige platformwerker. Het Nederlandse conceptwetsvoorstel Wet platformwerk ging op 29 juni 2026 in internetconsultatie (reageren kan tot en met 24 augustus 2026); het kabinet erkent dat de implementatiedeadline van 2 december 2026 niet wordt gehaald en dat het rechtsvermoeden pas gaat lopen bij inwerkingtreding van de Nederlandse wet. Intussen resteren richtlijnconforme uitleg en, tegen de Staat, mogelijk Francovich-aansprakelijkheid.
4. Wie zichzelf samenstelt, heeft juridisch niets in handen
Van de moderne werkende wordt steeds vaker verwacht dat hij zijn eigen traject monteert: modules, ervaringen en praktijken combineren tot een profiel dat geen bestaand beroep dekt. Werkgevers vragen erom, opleiders adverteren ermee, de markt beloont het. Juridisch is die mens onzichtbaar. Het Nederlandse recht kent diploma’s, geen trajecten.
- De NVAO accrediteert opleidingen (hoofdstuk 5a WHW); civiel effect hangt aan het getuigschrift en de graad (art. 7.10a WHW). Een zelf samengesteld traject van vijf modules bij drie instellingen levert geen graad op, en dus geen civiel effect.
- Microcredentials bestaan in Nederland als pilot (edubadges) en op Europees niveau als aanbeveling (Aanbeveling van de Raad van 16 juni 2022, 2022/C 243/02). De NLQF-inschaling is privaatrechtelijk. Een wettelijk equivalent is er niet.
- De spanning is het grootst waar de belangen het grootst zijn: bij de gereglementeerde beroepen (Advocatenwet, Wet BIG, Wna — via Richtlijn 2005/36/EG en de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties) is het diplomamonopolie absoluut. Juist daar staat de zelfmonteur machteloos.
- En in het migratierecht: het verlaagde salariscriterium veronderstelt een diploma van een aangewezen instelling (top 200 van erkende ranglijsten), het zoekjaar is diplomagebonden, en diplomawaardering verloopt via Nuffic/IDW. Wie zichzelf heeft samengesteld, komt het land niet eens binnen.
Wat ons te wachten staat, is een keuze tussen twee wegen: modularisering van het kwalificatierecht (wettelijke verankering van microcredentials, validering van informeel leren, een leerrekening), of een groeiende groep zeer capabele mensen zonder rechtspositie. De tweede weg is voorlopig waarschijnlijker, omdat de eerste vereist dat de staat de zeggenschap loslaat over wat als kennis telt.
5. Het basisinkomen bestaat niet; wat bestaat, is voorwaardelijkheid
Het populaire antwoord op verdwijnend werk is het basisinkomen: wie geen functie meer heeft, krijgt een bodem. Die gedachte verdient juridisch tegenspraak.
Nederland kent geen basisinkomen. Nederland kent bijstand: met vermogens- en middelentoets, met kostendelersnorm, met arbeids- en re-integratieverplichtingen en tegenprestatie. Artikel 20 lid 3 Gw geeft “een bij de wet te regelen recht op bijstand” – een sociaal grondrecht, een instructienorm aan de wetgever, geen rechtstreeks inroepbare aanspraak; artikel 120 Gw sluit toetsing van de wet aan de Grondwet uit. Internationaal bieden artikel 12 en 13 ESH en artikel 9 IVESCR weinig rechtstreeks houvast.
Per 1 januari 2026 is de eerste fase van de Participatiewet in balans in werking getreden: ruim twintig maatregelen, meer maatwerk, minder sanctionering, gefaseerd doorlopend tot 2027, met onderdelen die wachten op de Wet handhaving sociale zekerheid. Een reële verbetering. Maar de architectuur verandert niet: het inkomen blijft een beloning voor de bereidheid weer functie te worden.
Het juridische antwoord op het verdwijnen van werk is in Nederland dus geen bevrijding, maar verificatie. Dat is de les van de toeslagenaffaire en van SyRI (Rb. Den Haag 5 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:865), waarin het risicomodel strijdig werd geacht met artikel 8 EVRM. Hoe groter de groep zonder functie, hoe groter de behoefte van de staat om te controleren of dat wel echt zo is. Wie een basisinkomen verwacht, moet eerst uitleggen hoe onze rechtsorde afscheid neemt van voorwaardelijkheid. Niets op de huidige wetgevingsagenda wijst die kant op.
6. De onzichtbare afhankelijkheid: het volgende grondrecht?
De twintigste eeuw heeft de mens juridisch geëmancipeerd. De formele afhankelijkheden – van stand, van heer, van kerk, van werkgever – zijn afgebroken of gereguleerd. Maar er is een afhankelijkheid voor in de plaats gekomen die het recht nauwelijks ziet, omdat zij niet formeel is: van denkwijze, van gedrag, van emotionele reactie. Niemand dwingt; het aanbod is vrijwillig en het systeem is comfortabel. Dat is precies waarom de klassieke waarborgen er geen greep op krijgen.
Hier zit de leemte in ons grondrechtenstelsel. Artikel 11 Gw beschermt de onaantastbaarheid van het lichaam. Artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM beschermen de persoonlijke levenssfeer, waarin het EHRM persoonlijke autonomie leest (Pretty t. VK, 29 april 2002, nr. 2346/02). De AVG beschermt gegevens óver je. Maar niets in de Grondwet beschermt de vorming van je eigen wereldbeeld – het vermogen dat aan alle andere grondrechten voorafgaat, want zonder eigen oordeel is een vrijheid van meningsuiting een lege huls.
De eerste juridische scheuten zijn zichtbaar, maar het is consumenten- en platformrecht, geen staatsrecht:
- AI-verordening art. 5 lid 1 sub a en b: verbod op manipulatieve technieken en op uitbuiting van kwetsbaarheden die het gedrag wezenlijk verstoren en aanzienlijke schade veroorzaken. De drempel ligt hoog.
- DSA (Verordening (EU) 2022/2065): art. 25 (dark patterns), art. 27 (transparantie aanbevelingssystemen), art. 38 (optie zonder profilering bij zeer grote platforms).
- De Digital Fairness Act: voorstel verwacht in het vierde kwartaal van 2026, als uitwerking van de Consumentenagenda 2030, gericht op dark patterns, verslavend ontwerp, influencermarketing en manipulatieve personalisatie.
- Internationaal: de opkomst van neurorechten (UNESCO, Chili, diverse Amerikaanse staten).
Wat ons te wachten staat, is vermoedelijk het staatsrechtelijke debat van de jaren dertig: bestaat er een recht op mentale integriteit of cognitieve vrijheid, en zo ja – tegen wie? Het klassieke grondrecht werkt verticaal; deze afhankelijkheid is horizontaal en commercieel. Daarom komt het antwoord eerst uit het consumenten- en productrecht, en pas later – als het al komt – uit de Grondwet.
7. Zes verwachtingen voor de Nederlandse praktijk
- Ontslaggolven op de a-grond, met een herplaatsingsleerstuk onder druk. De kernvraag wordt of “scholing” in art. 7:669 lid 1 BW ook omscholing náár een andere functiefamilie omvat. Het huidige antwoord (inspanning naar redelijkheid, binnen de opzegtermijn) is niet gebouwd voor deze schaal.
- Een verschuiving in het kwalificatierecht – met een paradox. Hoe meer het algoritme werk toewijst, beprijst en beoordeelt, hoe meer gezag en inbedding, en dus hoe eerder werknemerschap (Deliveroo, HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443; Uber, HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319, waarin de Hoge Raad rechtsontwikkeling nadrukkelijk aan de wetgever liet). Voeg daaraan het VBAR-rechtsvermoeden toe – na de nota van wijziging van 10 maart 2026 resteert alleen nog het rechtsvermoeden voor tarieven onder circa € 38 per uur – plus de Wet platformwerk, en het beeld is compleet: het recht beantwoordt de roep om autonomie met het aanbod van bescherming. Dat is geen tegenspraak, maar wel een spanning waarover we tien jaar gaan procederen.
- Het migratierecht wordt het scherpste laboratorium. Salariscriteria indexeren omhoog terwijl de functies die eraan voldeden eroderen; de kennismigrant die zijn baan verliest, heeft drie maanden. En de beoordeling zelf wordt in toenemende mate geautomatiseerd, terwijl het hoogrisicoregime voor Bijlage III punt 7 (migratie en asiel) net is uitgesteld tot december 2027. Nergens is de kloof tussen techniek en waarborg zo groot als aan de grens. Voor de praktijk betekent dat: artikel 22 en 15 AVG, de artikelen 3:2 en 3:46 Awb en de beginselen van behoorlijk bestuur zijn de instrumenten – niet de AI-verordening.
- Onderwijs- en kwalificatierecht: wettelijke druk op het diplomamonopolie, met microcredentials en validering als inzet.
- Sociale zekerheid: geen basisinkomen, maar een verdere verdichting van de verificatiestaat, in toom gehouden door artikel 8 EVRM en de AVG.
- Grondrechten: mentale integriteit als agendapunt, eerst via Brussel, dan pas via Den Haag.
8. Slot
De discussie over de mens van de eenentwintigste eeuw wordt meestal existentieel gevoerd: vorm jezelf, of word opzijgeschoven. Juridisch is de vraag scherper. Zij is niet of wij persoon of functie zullen zijn, maar of het recht leert de persoon te herkennen vóórdat de functie is verdampt. Want zolang de functie het juridische draagvlak van de persoon is, verdwijnt met de functie ook de rechtspositie.
Dat is geen filosofisch probleem. Het is een wetgevingsopdracht – en op onderdelen een procesrisico dat nu al bij cliënten op tafel ligt.