Artikel 1:94
geldendDe wettelijke gemeenschap van goederen · Algemene bepalingen
Van het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen.
De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen, met uitzondering van:
krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen;
pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;
rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de artikelen 34, 35, 36, 38, 63 tot en met 92 en 126, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4.
Het tweede lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op:
giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot;
goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.
Goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen, blijven buiten de gemeenschap, ook al zijn echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen dan wel de vruchten daarvan in de gemeenschap vallen.
Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
Vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.
De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden:
betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen;
die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is gerechtigd;
uit door een van de echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 126, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4.
Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.
Uitspraken van de Hoge Raad waarin dit artikel wordt toegepast.
Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Huwelijksgoederengemeenschap. Art. 1:94 lid 5 (oud) BW. Borgtocht. Art. 7:850 BW. Zijn schulden waarvoor man zich als borg heeft verbonden gemeenschapsschulden? Hoofdelijke aansprakelijkheid. Art. 6:7 BW. Is interne draagplicht van echtgenoot ten opzichte van medeschuldenaar bepalend voor vraag of en voor welke omvang schuld als gemeenschapsschuld geldt?
Uitspraak op rechtspraak.nlArt. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat schenkingen uit Italië zonder uitsluitingsclausule buiten wettelijke gemeenschap van goederen vallen? Art. 1:94 lid 4 BW; art. 6:2 lid 2 BW. Vergoedingsrecht i.v.m. afgekocht pensioen voor nominaal bedrag? Art. 1:87 lid 5 BW. Motiveringsklachten.
Uitspraak op rechtspraak.nlPersonen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Art. 1:94 lid 7 BW. Halvering meerinbreng? Man en vrouw hebben vóór hun huwelijk samen woning verkregen. Man en vrouw hebben over en weer recht op vergoeding wegens meerinbreng i.v.m. betaling door man van koopsom en i.v.m. aflossing door vrouw op lening die is aangegaan ter financiering van verbouwing. Vervolgens trouwen zij in 2018 in gemeenschap van goederen, waardoor woning in huwelijksgemeenschap valt. Vorderingen tot vergoeding i.v.m. betaling koopsom en aflossing lening vallen niet in huwelijksgemeenschap. Vallen met die vorderingen corresponderende schulden wel in huwelijksgemeenschap?
Uitspraak op rechtspraak.nlPersonen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht; partneralimentatie. Behoren 'familiebankleningen' tot huwelijksgemeenschap? Art. 1:94 (oud) BW. Moet bij berekening van draagkracht van man rekening worden gehouden met rente op familiebankleningen?
Uitspraak op rechtspraak.nlHuwelijksgoederenrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. Verknochtheid van aanspraak op ontslagvergoeding voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen na ontbinding huwelijksgemeenschap (zie HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270).
Uitspraak op rechtspraak.nl