Dutch Legislation

Article 118

in force

Other provisions

Health Insurance Act (Zvw) · Chapter 9 · In force since 2017-07-01

Source
1.

An insured person who wishes to receive care or other services as referred to in Article 11, which are to be designated by ministerial regulation for the account of their health insurance, shall submit for inspection to the person or institution providing such care or service an identity document as referred to in Article 1, first paragraph, of the Compulsory Identification Act, or another document to be designated by ministerial regulation by means of which their identity can be established.

2.

If the identity document cannot be produced for inspection immediately, the person or institution may permit this obligation to be fulfilled within a period of no later than fourteen days.

3.

The person or institution shall establish the identity of the person to whom the care or service referred to in the first paragraph is provided on the basis of the document provided for inspection, and shall record the citizen service number (burgerservicenummer) of the insured person in its records, in accordance with Article 7 of the Act on Supplementary Provisions for the Processing of Personal Data in Healthcare.

1.

Een verzekerde die voor rekening van zijn zorgverzekering bij ministeriële regeling aan te wijzen zorg of andere diensten als bedoeld in artikel 11 wenst te genieten, verstrekt aan de persoon of instelling die die zorg of dienst verleent ter inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht, of een ander bij ministeriële regeling aan te wijzen document waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld.

2.

Indien het identiteitsbewijs niet onmiddellijk ter inzage kan worden verstrekt, kan de persoon of instelling toestaan dat uiterlijk binnen een termijn van veertien dagen aan deze verplichting wordt voldaan.

3.

De persoon of instelling stelt aan de hand van het ter inzage verstrekte document de identiteit vast van degene aan wie de in het eerste lid bedoelde zorg of dienst wordt verleend, en neemt het met inachtneming van artikel 7 van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg vastgestelde burgerservicenummer van de verzekerde in zijn administratie op.