Dutch Legislation

Article 105

in force

Transitional and final provisions

Sickness Benefits Act (ZW) · Chapter II · In force since 2016-01-01

Source
1.

The period of 104 weeks referred to in Article 76a, paragraph 1, shall remain applicable to the employee for six months after the time of entry into force of Article III, part F, of the Act on working after the state pension age (Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd):

a.

who, on the day preceding the time of entry into force, has reached at least the age referred to in Article 7, subparagraph a, of the General Old Age Pensions Act (Algemene Ouderdomswet), or reaches this age within six months after that time, and

b.

who, prior to the time of entry into force and also, whether or not after an interruption of less than four weeks, after that time is prevented from performing the service or fulfilling the office due to incapacity as a result of illness.

2.

Upon expiry of the six-month period referred to in the first paragraph, the thirteen-week period referred to in Article 104 shall apply insofar as the total period during which an entitlement to remuneration exists, as referred to in the Civil Servants Remuneration Decree 1984 (Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984), or what corresponds thereto, does not exceed 104 weeks.

1.

Het in artikel 76a, eerste lid, genoemde tijdvak van 104 weken blijft gedurende zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel F, van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd van toepassing op de werknemer:

a.

die op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding ten minste de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft, dan wel binnen zes maanden na dat tijdstip deze leeftijd bereikt, en

b.

die voor het tijdstip van inwerkingtreding en tevens, al dan niet na een onderbreking gedurende minder dan vier weken, na dat tijdstip verhinderd is om de dienst te verrichten of het ambt te vervullen wegens ongeschiktheid als gevolg van ziekte.

2.

Na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn van zes maanden, geldt het in artikel 104 genoemde tijdvak van dertien weken voor zover het totale tijdvak waarin aanspraak bestaat op bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt niet meer bedraagt dan 104 weken.