Dutch Legislation

Article 131a

in force

Prosecution and trial of legal persons

Code of Criminal Procedure (Sv) · Book 1 General provisions · Title VI · In force since 2007-01-01

Source
1.

Where this Code grants the authority to hear, examine or interrogate persons, this shall, with the exception of cases to be determined by Order in Council, also include hearing, examining or interrogating by means of videoconferencing, whereby a direct image and sound connection is established between the persons involved.

2.

The presiding officer of the college, the judge, the examining magistrate or the official charged with the conduct of the hearing, shall decide whether use is made of videoconferencing, taking into account the interests of the investigation. Before deciding, the person to be heard or their counsel and, where applicable, the public prosecutor, shall be given the opportunity to express their opinion on the use of videoconferencing. Further rules regarding this may be laid down by order in council.

3.

No separate legal remedy is available against the decision to make use of videoconferencing.

4.

Rules shall be laid down by or pursuant to an Order in Council concerning:

a.

the requirements with which the video conferencing technology must comply, including with a view to the inviolability of recorded observations;

b.

the supervision of compliance with the requirements referred to under (a).

1.

Waar in dit wetboek de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen, verhoren of ondervragen van personen, wordt daaronder, met uitzondering van bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, mede begrepen horen, verhoren of ondervragen per videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding totstandkomt tussen de betrokken personen.

2.

De voorzitter van het college, de rechter, de rechter-commissaris of ambtenaar die met de leiding over het horen is belast, beslist of van videoconferentie gebruik gemaakt wordt, waarbij het belang van het onderzoek in aanmerking wordt genomen. Alvorens te beslissen wordt de te horen persoon of diens raadsman en in voorkomende gevallen de officier van justitie, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over de toepassing van videoconferentie. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hierover nadere regels worden gesteld.

3.

Tegen de beslissing om van videoconferentie gebruik te maken staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

a.

de eisen waaraan de techniek van videoconferentie dient te voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van vastgelegde waarnemingen;

b.

de controle op de naleving van de eisen, bedoeld onder a.