Article 195a
in forceInvestigation by the examining magistrate · Het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris
The examining magistrate may, of his own motion, upon the demand of the public prosecutor, or at the request of the suspect or his counsel, order a DNA investigation aimed at comparing DNA profiles to be conducted in the interest of the investigation. For the purpose of the DNA investigation, he may request the suspect or a third party to provide cellular material. Except in the case of the application of Article 195d or the case of a missing person as referred to in the final sentence, cellular material may only be collected with the written consent of the suspect or the third party. Cellular material shall only be collected from the suspect after one or more fingerprints have been taken and processed from him in accordance with this Code and his identity has been established in the manner referred to in Article 27a, first paragraph, first sentence, and second paragraph. In the event that the third party is a missing person as a result of a criminal offence, the DNA investigation may be conducted on cellular material found on objects that have been seized from him, or on cellular material obtained in another manner.
The examining magistrate shall appoint an expert, who is affiliated with one of the laboratories to be designated by order in council, with the instruction to conduct the DNA investigation. The expert shall submit a reasoned report to the examining magistrate.
If insufficient cellular material is available for a counter-investigation as referred to in Article 195b, paragraph 1, the examining magistrate shall, if only one suspect is known, provide the suspect with the opportunity to designate an expert, affiliated with one of the designated laboratories, to conduct the investigation. Article 195b shall not apply.
In the event that the investigation has been conducted on collected cellular material, the examining magistrate shall notify the examined person of the results of the investigation in writing as soon as possible. If the investigation has been conducted on other cellular material, the examining magistrate shall, provided the suspect is known, notify the suspect of the results of the investigation in writing as soon as the interests of the investigation permit. Except in the case referred to in the third paragraph, the examining magistrate shall thereby draw the suspect's attention to the provisions of Article 195b.
DNA profiles shall only be processed for the prevention, detection, prosecution and trial of criminal offences and for the identification of a deceased person. Rules regarding the processing of DNA profiles and cellular material shall be laid down by or pursuant to an Order in Council.
Further rules regarding the manner of implementation of this article shall be provided by or pursuant to an Order in Council.
De rechter-commissaris kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of diens raadsman in het belang van het onderzoek een DNA-onderzoek, dat gericht is op het vergelijken van DNA-profielen, laten verrichten. Hij kan ten behoeve van het DNA-onderzoek de verdachte of een derde verzoeken celmateriaal af te staan. Celmateriaal kan, behoudens in geval van toepassing van artikel 195d of vermissing als bedoeld in de laatste volzin, slechts met schriftelijke toestemming van de verdachte of de derde worden afgenomen. Celmateriaal wordt slechts van de verdachte afgenomen, nadat van hem één of meer vingerafdrukken overeenkomstig dit wetboek zijn genomen en verwerkt en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid. Ingeval de derde vermist is als gevolg van een misdrijf, kan het DNA-onderzoek worden verricht aan celmateriaal op voorwerpen, die van hem in beslag genomen zijn, of aan celmateriaal, dat op andere wijze verkregen is.
De rechter-commissaris benoemt een deskundige, die verbonden is aan één van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, met de opdracht het DNA-onderzoek te verrichten. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit.
Indien onvoldoende celmateriaal voor een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 195b, eerste lid, beschikbaar is, stelt de rechter-commissaris de verdachte, indien slechts één verdachte bekend is, in de gelegenheid een deskundige, verbonden aan één van de aangewezen laboratoria, aan te wijzen die het onderzoek verricht. Artikel 195b blijft buiten toepassing.
De rechter-commissaris geeft, ingeval het onderzoek heeft plaatsgevonden aan afgenomen celmateriaal, de onderzochte persoon zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden aan ander celmateriaal, geeft hij de verdachte, indien deze bekend is, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Buiten het geval, bedoeld in het derde lid, wijst hij de verdachte daarbij op het bepaalde in artikel 195b.
DNA-profielen worden slechts verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de wijze van uitvoering van dit artikel gegeven.